Tweede Kamer akkoord met aanpassing fiscale regeling aandelenopties | Deloitte Nederland

Article

Tweede Kamer akkoord met aanpassing fiscale regeling aandelenopties

Het wetsvoorstel voorziet in verplaatsing van het heffingsmoment voor werknemersoptierechten naar het moment waarop de werknemer de aandelen kan verhandelen.

29 juni 2022

Werknemersopties worden momenteel in de heffing van loonbelasting betrokken op het moment dat de werknemer de opties uitoefent. Daarna verlaten de bij uitoefening verkregen aandelen de loonsfeer en komen in de regel in box 3 terecht (inkomen uit sparen en beleggen).

De huidige regeling is onaantrekkelijk voor met name startups, omdat heffing van loonbelasting kan plaatsvinden op een moment dat de werknemer de aandelen nog niet kan verkopen, bijvoorbeeld omdat de startup nog niet beursgenoteerd is, of omdat werknemers gebonden zijn aan verkooprestricties. Bij de uitoefening van de optie is de werknemer in dat geval belasting verschuldigd over een voordeel dat (nog) niet kan worden verzilverd (“dry tax charge”). De werknemer moet de belasting betalen uit eigen middelen. Dat maakt optieregelingen onaantrekkelijk voor startups in Nederland.

Op Prinsjesdag 2021 stelde het kabinet voor om het heffingsmoment voor werknemersoptierechten te verplaatsen naar het moment waarop de werknemer de aandelen kan verhandelen. Op dat moment kan de werknemer immers (een deel van) de aandelen verkopen, om daarmee de belasting te voldoen. Om een al te lang belastinguitstel tegen te gaan, wordt het optievoordeel uiterlijk vijf jaar na de verkrijging van de aandelen belast (voor beursgenoteerde ondernemingen), dan wel vijf jaar na de beursgang (voor aanvankelijk niet-beursgenoteerde ondernemingen).

Verschillende partijen waren echter bezorgd dat de regeling, die bedoeld is voor start-ups en scale-ups, ook zou gebruikt zou gaan worden door grote ondernemingen. Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris daarom onderzocht of het voorstel aangepast zou moeten worden. Afgelopen voorjaar concludeerde de staatssecretaris echter dat aanpassing niet wenselijk is, omdat dit tot een verdere toename van de uitvoeringslasten zou leiden en de effectiviteit van de regeling zou ondermijnen. De Tweede Kamer heeft hier uiteindelijk genoegen mee genomen en op 28 juni 2022 ingestemd met het wetsvoorstel. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat, treedt de nieuwe regeling per 1 januari 2023 in werking.

Did you find this useful?