Strafrechtelijk sepot kan vermoeden van onschuld opleveren | Deloitte

Article

Strafrechtelijk sepot kan vermoeden van onschuld opleveren

Een vermoeden van onschuld kan zich ook uitstrekken tot belastingprocedures wanneer belanghebbende aannemelijk maakt dat een voldoende sterk verband bestaat tussen die procedure en de strafrechtelijke procedure.

7 juni 2017

English version

Onschuldpresumptie

In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is vastgelegd dat een ieder tegen wie (strafrechtelijke) vervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Recentelijk heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze ‘onschuldpresumptie’ ook gevolgen kan hebben voor een procedure waarin de hoogte van de verschuldigde belasting centraal staat.


Strafrechtelijk sepot

Een ondernemer oefende een vloerenleggersbedrijf uit in een door hem gehuurd bedrijfspand. In april 2010 heeft de politie tijdens een inval een hennepkwekerij aangetroffen op de bovenverdieping van dit pand. De ondernemer is echter niet strafrechtelijk vervolgd, omdat de zaak door de Officier van Justitie is geseponeerd. Ook is geen procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gestart. Wel is de belastingdienst in kennis gesteld van de bevindingen van het politieonderzoek. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur een navorderingsaanslag en een vergrijpboete over het jaar 2010 vastgesteld.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de ondernemer in 2010 aanzienlijke inkomsten uit hennepteelt heeft genoten die hij niet in zijn aangifte heeft opgenomen. Aan deze conclusie doet volgens het Hof niet af dat de zaak is geseponeerd, omdat de belastingrechter zich zelfstandig een oordeel moet vormen over de voor de belastingheffing van belang zijnde feiten en omstandigheden.


Gevolgen voor belastingprocedure?

In cassatie stelt de ondernemer dat de gang van zaken in strijd is met de in art. 6 EVRM neergelegde vermoeden van onschuld. Naar aanleiding hiervan overweegt de Hoge Raad dat uit de jurisprudentie van het EVRM voortvloeit dat de ‘onschuldpresumptie’ zich ook kan uitstrekken tot de bejegening van een belastingplichtige door de belastingdienst en tot gerechtelijke procedures over de hoogte van de belastingschuld. Dat is echter alleen het geval wanneer belanghebbende aannemelijk maakt dat er een voldoende sterk verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door de bestuurlijke autoriteiten dan wel de latere gerechtelijke procedure.

Een dergelijk verband is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijke dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende. Het hiervoor bedoelde verband met artikel 6 EVRM is niet beperkt tot de situatie waarin de strafrechtelijke procedure is geëindigd in een vrijspraak, maar kan bijvoorbeeld ook aan de orde zijn indien de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs (technisch sepot).

Een vrijspraak hoeft er overigens niet aan in de weg staan dat in een latere belastingprocedure feiten bewezen worden verklaard waarvan de betrokkene door de strafrechter is vrijgesproken. In het belastingrecht worden namelijk minder zware eisen gesteld aan het te leveren bewijs. Ook is niet uitgesloten dat in een later stadium aanvullend bewijs boven tafel komt. De belastingrechter mag door zijn optreden, de motivering van zijn beslissing en de motivering van zijn uitspraak echter geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van het oordeel in de strafzaak of de juistheid van de gronden waarop het sepot berust.


Conclusie

De bovenstaande overwegingen baten de ondernemer in deze zaak uiteindelijk niet. De Hoge Raad stelt namelijk vast dat de ondernemer geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de bejegening door de inspecteur en het oordeel van het gerechtshof twijfels oproepen over de juistheid van de gronden op basis waarvan de Officier van Justitie heeft besloten om de zaak te seponeren. Derhalve is niet aannemelijk dat hier sprake is van een handelen in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM. Het cassatieberoep is ongegrond.


Bron: HR 2 juni 2017, 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen