Titel - Title

Article

Strikte toepassing koepelvrijstelling volgens Hof van Justitie

Op 4 mei 2017 heeft het Hof van Justitie van de EU (“HvJ”) in de inbreukprocedure tegen Luxemburg geoordeeld dat de koepelvrijstelling niet correct was geïmplementeerd doordat de Luxemburgse regeling het toestaat de koepelvrijstelling ook toe te passen wanneer de leden de afgenomen prestaties voor 30% (of in sommige gevallen zelfs voor 45%) gebruiken voor belaste prestaties.

8 mei 2017

English version

Koepelvrijstelling

Lidstaten van de Europese Unie zijn op grond van de Btw-richtlijn verplicht om onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling te verlenen voor diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen (“ZGP’s”) aan hun leden. De leden moeten vrijgestelde prestaties verrichten of activiteiten verrichten waarvoor zij geen belastingplichtige zijn. Tevens moeten de prestaties verricht door de ZGP direct nodig zijn voor de vrijgestelde prestaties, dan wel niet-belastbare activiteiten van de leden. Tot slot mag de ZGP aan de leden slechts terugbetaling vragen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven en mag toepassing van de vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging leiden.

In het verleden heeft het HvJ zich driemaal eerder gebogen over de koepelvrijstelling en de toepassingsvoorwaarden ervan. Momenteel zijn er naast de onderhavige zaak nóg drie zaken aanhangig bij het HvJ die betrekking hebben op de verschillende voorwaarden van de koepelvrijstelling. Dit betreft de zaken Commissie/Duitsland (C-616/15), de Letse zaak DNB Banka (C-326/15) en de Poolse zaak Aviva (C-605/15).


De zaak Commissie/Luxemburg

De zaak Commissie/Luxemburg betreft de infractieprocedure die door de Europese Commissie op 20 februari 2014 tegen Luxemburg is gestart omdat de Luxemburgse koepelvrijstelling volgens haar niet in overeenstemming is met de Btw-richtlijn. Hierbij staan drie aspecten van de koepelvrijstelling centraal:

  1. De Luxemburgse koepelvrijstelling is ook van toepassing op situaties waarin de ZGP een dienst verricht die niet direct nodig is voor de uitoefening van een vrijgestelde of niet aan belasting onderworpen activiteit van de leden;
  2. Leden krijgen een aftrekrecht voor prestaties die niet aan de leden, maar aan de ZGP zijn geleverd; 
  3. Wanneer een lid een levering of dienst voor rekening van de ZGP afneemt, wordt de toerekening van de uitgaven aan de ZGP niet in aanmerking genomen voor de btw.


Het oordeel van het Hof van Justitie

Het HvJ meent, in navolging van de conclusie van Advocaat-generaal Kokott, dat de Luxemburgse koepelvrijstelling op al deze punten in strijd is met de Btw-richtlijn.

Ten aanzien van het eerste punt is het HvJ van oordeel dat de koepelvrijstelling niet correct is geïmplementeerd doordat de Luxemburgse regeling het toestaat de koepelvrijstelling ook toe te passen wanneer de leden de afgenomen prestaties voor 30% gebruiken voor belaste prestaties. Volgens het HvJ zijn de bewoordingen van de vrijstelling duidelijk. De vrijstelling geldt met name voor ZGP’s waarvan de leden uitsluitend een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. Echter, ook diensten die worden verricht door een ZGP waarvan de leden ook belastbare activiteiten uitoefenen komen in aanmerking voor die vrijstelling, maar alleen voor zover die diensten direct nodig zijn voor de activiteiten van die leden die zijn vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn.

Ten aanzien van het tweede punt oordeelt het HvJ dat de ZGP een afzonderlijke belastingplichtige is. Daarom is alleen de ZGP gerechtigd tot aftrek van voorbelasting over door haar ontvangen inputprestaties. De Luxemburgse regeling is volgens het HvJ in strijd met de Btw-richtlijn doordat de leden van de ZGP de aan de ZGP in rekening gebrachte btw in aftrek mogen brengen, terwijl de factuur op naam is gesteld van de ZGP en de goederen en diensten aan de ZGP zijn geleverd respectievelijk verricht.

Ten aanzien van het derde punt herhaalt het HvJ dat de ZGP een afzonderlijke belastingplichtige is. Handelingen tussen een ZGP, die zelfstandig handelt, en één van haar leden moeten daarom worden aangemerkt als handelingen tussen twee belastingplichtigen die binnen de werkingssfeer van de btw vallen, aldus het oordeel van het HvJ. Op grond van de commissionairsbepalingen van de Btw-richtlijn volgt dat bij een doorberekening van de uitgaven sprake is van een prestatie door de leden aan de ZGP die voor de btw niet kan worden genegeerd. De Luxemburgse regeling is ook op dat vlak niet in overeenstemming met de Btw-richtlijn.


Gevolgen voor de praktijk

Als gevolg van dit oordeel van het HvJ lijkt het waarschijnlijk dat Luxemburg en andere lidstaten de koepelvrijstelling beperkter moeten toepassen en hun wet- en regelgeving moeten aanpassen.

Voor wat betreft Nederland, kondigde de Staatssecretaris van Financiën in februari 2016 een verruiming van de koepelvrijstelling aan. In antwoorden op Kamervragen over ambtelijke fusies van gemeenten gaf hij al eerder aan dat de koepelvrijstelling geldt voor de dienstverlening van de fusieorganisatie wanneer de diensten van de fusieorganisatie hoofdzakelijk (voor meer dan 70%) worden gebruikt voor onbelaste overheidsactiviteiten of vrijgestelde activiteiten van de deelnemende gemeenten. Aannemelijk was dat niet alleen de toepassing van de koepelvrijstelling bij ambtelijke fusies van gemeenten, maar ook in andere situaties zou worden verruimd.
Als gevolg van het oordeel van het HvJ moet de koepelvrijstelling in Nederland mogelijk weer beperkter worden toegepast.

Uiteraard informeren wij u wanneer de Staatssecretaris een (eventuele) wijziging in zijn beleid aankondigt.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen