Suppletieplicht kan strijdig zijn met nemo tenetur beginsel | Deloitte Nederland

Article

Suppletieplicht kan strijdig zijn met nemo tenetur beginsel

De Hoge Raad oordeelt dat de suppletieplicht in de omzetbelasting in strijd kan komen met het nemo-teneturbeginsel, namelijk als de verkregen informatie wordt gebruikt voor het bewijs dat een beboetbaar of strafbaar feit is begaan.

4 oktober 2021

Suppletieplicht

Indien een omzetbelastingplichtige opmerkt dat hij over een tijdvak in een van de voorgaande vijf jaren een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij gehouden om alsnog de juiste en volledige gegevens aan de belastingdienst te verstrekken. Dit wordt ook wel de suppletieplicht genoemd. Schending hiervan wordt als overtreding aangemerkt en kan aanleiding zijn voor een vergrijpboete. Ook als de ondernemer zich houdt aan de suppletieplicht, kan een verzuimboete worden opgelegd. Deze verzuimboete bedraagt 5% van het niet-tijdig betaalde bedrag, met een maximum van € 5.514 (bedrag 2021).

Nemo-teneturbeginsel

Het nemo-teneturbeginsel is onderdeel van het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM. Het houdt – kort gezegd – in dat men niet verplicht is om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Voor toepassing van het nemo-teneturbeginsel is vereist dat sprake is van een criminal charge. De term criminal charge behelst niet enkel strafrechtelijke vervolging. Bestuurlijke boetes vallen hier ook onder. Bij de beantwoording van de vraag of gegevens rechtmatig door autoriteiten gevorderd mogen worden, is bepalend of het bestaan van die gegevens afhankelijk is van de wil van verdachte. Zolang het materiaal onafhankelijk van de wil van verdachte bestaat, is het uitoefenen van een bepaalde mate van dwang om dit materiaal te verkrijgen in beginsel geoorloofd. Is de wil van verdachte wél van belang voor het bestaan van het bewijsmateriaal, dan geldt het nemo-teneturbeginsel en mag geen sprake zijn van gedwongen medewerking aan het onderzoek.

Samenloop suppletieplicht en nemo-teneturbeginsel

A-G Ettema concludeerde afgelopen zomer dat voornoemde suppletieplicht een schending van dit nemo-teneturbeginsel kan opleveren. Allereerst overweegt zij dat artikel 6 EVRM van toepassing is, omdat sprake is van een criminal charge. Ook als men zich houdt aan de suppletieplicht, kan immers een verzuimboete opgelegd worden wegens niet-tijdig betalen van de verschuldigde omzetbelasting. Dat een dergelijke boete in deze zaak niet was opgelegd, doet niet ter zake. De enkele mogelijkheid tot het opleggen van een boete is voldoende om van een criminal charge te kunnen spreken.

De A-G heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of de informatie die op basis van de suppletieplicht verstrekt wordt wils(on)afhankelijk is. Het document van de suppletieaangifte bestaat weliswaar onafhankelijk van de wil van de verdachte, maar de verklaring die erin besloten ligt, namelijk dat de eerdere aangifte onjuist was, is volgens de A-G wel degelijk wilsafhankelijk. Dit is slechts anders indien uit de jaarstukken onmiskenbaar blijkt dat een omzetbelastingschuld bestaat. In dat laatste geval kan niet gesproken worden van een schending van het nemo-teneturbeginsel.

De A-G merkt ten slotte op dat het legaliteitsbeginsel naar haar mening verhindert dat de per 1 januari 2012 in werking getreden suppletieplicht terugwerkt naar gevallen waarin belastingplichtigen al vóór 2012 hebben ontdekt dat een fout is gemaakt in een aangifte omzetbelasting. Die situatie doet zich in dit geval echter niet voor.

Uitspraak Hoge Raad

Recentelijk heeft ook de Hoge Raad zijn oordeel over deze kwestie gegeven. Volgens vaste rechtspraak zijn maatregelen voor informatieverschaffing ten behoeve van een juiste belastingheffing geoorloofd onder het EVRM. Ook mag voor het niet-nakomen van de suppletieplicht zelf een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Vervolgens gaat ons hoogste rechtscollege in op de vraag of de informatie die de inspecteur met toepassing van de suppletieverplichting heeft verkregen als bewijs mag dienen voor het opleggen van een boete wegens niet (tijdig) betalen van omzetbelasting, of het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen de belastingplichtige. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. De verstrekte informatie is namelijk naar haar aard afhankelijk van de wil van belastingplichtige. Het feit dat die informatie gebaseerd kan zijn op in de administratie van de belastingplichtige aanwezige facturen en andere documenten doet hier niet aan af.


Bronnen:

  • HR 24 september 2021 19/01550, ECLI:NL:HR:2021:1351
  • Conclusie A-G 16 juni 2021, 19/01550, ECLI:NL:PHR:2021:611
Did you find this useful?