Te laat bezwaar tegen impliciete verliesverrekeningsbeschikking | Deloitte

Article

Te laat bezwaar tegen impliciete verliesverrekeningsbeschikking

Belanghebbende had volgens de Hoge Raad binnen zes weken na vaststelling van het verlies over 2010 bezwaar moeten maken tegen het niet-verrekenen van dit verlies met belastbare winsten over voorgaande jaren.

20 augustus 2018

Verliesverrekening

Eerder dit jaar oordeelde de Hoge Raad dat de inspecteur ook na het verstrijken van de aanslagtermijn bevoegd is om het verlies van een jaar vast te stellen en daarbij mag afwijken van de aangifte. De ratio hierachter is dat verliesverrekening zonder verliesvaststellingsbeschikking niet mogelijk is. Uit een recent arrest blijkt echter dat de belastingplichtige wel goed moet opletten of verliesverrekening op de juiste wijze plaatsvindt. Een bv die buiten de bezwaartermijn alsnog wilde opteren voor de in de belastingjaren 2009 tot en met 2011 bestaande mogelijkheid van verruimde achterwaartse verliesverrekening (drie jaren), in ruil voor een kortere voorwaartse verliesverrekeningstermijn (zes jaren), kreeg het deksel op de neus.

De bv in kwestie had over het jaar 2010 een verlies geleden van € 269.005. De inspecteur heeft dit verlies op 13 juli 2013 bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld, tegelijkertijd met de nihilaanslag over 2010. Omdat de bv ook in 2009 een verlies had geleden en zij in haar aangifte 2010 niet had geopteerd voor verruimde achterwaartse verliesverrekening, zag de inspecteur geen aanleiding om tot verrekening over te gaan. De aangifte over 2011 bevatte klaarblijkelijk wel een dergelijk verzoek, want met dagtekening 27 juli 2013 heeft de inspecteur het verlies over dat jaar verrekend met belastbare winst van 2008.

Te laat bezwaar

Bij brief van 27 augustus 2013 heeft de gemachtigde van de bv de inspecteur alsnog verzocht om het verlies over 2010 te verrekenen met de belastbare winsten over 2007 en 2008. De inspecteur heeft deze brief aangemerkt als een te laat ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag Vpb 2010. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de bv na afloop van de bezwaartermijn inderdaad niet meer kon kiezen voor toepassing van verruimde achterwaartse verliesverrekening. De Hoge Raad heeft dit oordeel recentelijk bevestigd.

Ons hoogste rechtscollege stelt voorop dat de gebondenheid van een belastingplichtige aan een in de aangifte vennootschapsbelasting gemaakte keuze over het al dan niet toepassen van verruimde achterwaartse verliesverrekening alleen aan de orde kan worden gesteld in de procedure tegen de verliesverrekeningsbeschikking. Voornoemde keuze heeft immers geen gevolgen voor de hoogte van de aanslag of het verlies van het jaar zelf, maar alleen voor de verrekening van dit verlies met winsten van andere jaren.

Het is echter niet zo dat de inspecteur een expliciete beslissing hoefde te nemen ten aanzien van de verliesverrekening. Daar was immers geen aanleiding voor, nu achterwaartse verliesverrekening met 2009 niet tot de mogelijkheden behoorde en in de aangifte over 2010 niet was geopteerd voor de verruimde regeling. Aangezien achterwaartse verliesverrekening volgens de wettekst tegelijkertijd moet plaatsvinden met de vaststelling van het verlies, ligt in het achterwege blijven daarvan (impliciet) een voor bezwaar vatbare beslissing van de inspecteur besloten. Het daartegen gerichte bezwaar is echter te laat ingediend. Van verschoonbare termijnoverschrijding was in casu evenmin sprake. Uiteindelijk blijft de bv dus met lege handen achter.


Bron: HR 17 augustus 2018, 16/05120, ECLI:NL:HR:2018:1317

Vond u dit nuttig?