Te lage navorderingsaanslag was niet redelijkerwijs kenbaar | Deloitte Nederland

Article

Te lage navorderingsaanslag was niet redelijkerwijs kenbaar

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het verwijzingshof dat het niet meenemen van de correcties die voortvloeiden uit een boekenonderzoek in de eerste navorderingsaanslag voor rekening van de inspecteur moet blijven.

7 januari 2021

Navordering

Navordering van te weinig geheven belasting is aan allerlei voorwaarden gebonden. Als hoofdregel geldt dat de inspecteur hiertoe alleen mag overgaan als hij over een nieuw feit beschikt. Wanneer hij bij het vaststellen van de aanslag een beoordelingsfout heeft gemaakt, blijft deze in principe voor zijn rekening. Dat geldt echter niet als de belastingplichtige te kwader trouw is, in die zin dat hij opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan of, naar aanleiding van een informatieverzoek van de inspecteur, opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

Kenbare fout

Een tweede belangrijke uitzondering op de eis van het nieuwe feit is de kenbare fout. Als de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten begrijpen dat een fout is gemaakt bij het vaststellen van een belastingaanslag, mag de inspecteur deze binnen twee jaar herstellen. Deze uitbreiding van de navorderingsbevoegdheid is per 1 januari 2010 in art. 16, lid 2, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen, in reactie op jurisprudentie waaruit bleek dat fouten die voortvloeiden uit de geautomatiseerde wijze van aanslagregeling voor rekening van de belastingdienst bleven. Recent is de reikwijdte van deze bepaling opnieuw verduidelijkt.

Boekenonderzoek

De zaak draaide om een belastingplichtige bij wie in juni 2009 een boekenonderzoek was gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2007. Vervolgens is op 5 februari 2010 de aanslag IB/VV 2007 opgelegd, zonder dat daarin rekening werd gehouden met de uitkomsten van dit boekenonderzoek noch met een vrijwillige verbetering ter zake van buitenlands vermogen die intussen had plaatsgevonden. Vervolgens is op 23 oktober 2010 een eerste navorderingsaanslag opgelegd met daarin de buitenlandse vermogensinkomsten, op 2 december 2011 gevolgd door een tweede waarin alsnog de resultaten van het boekenonderzoek waren verwerkt. In geschil is of laatstgenoemde navorderingsaanslag wel mocht worden opgelegd.

De Hoge Raad oordeelde in 2018 dat het verzuim van de inspecteur om de aanslagregeling in de systemen van de belastingdienst te blokkeren gedurende het boekenonderzoek een fout is die in beginsel hersteld kan worden met toepassing van art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Dan moet de fout echter wel redelijkerwijs kenbaar zijn. Om dit te laten beoordelen werd de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit verwijzingshof oordeelde dat in de aangiften een pleitbaar standpunt is ingenomen ten aanzien van de inkomensbestanddelen die in de tweede navorderingsaanslag zijn begrepen. Bovendien zijn de correcties die voortvloeiden uit het boekenonderzoek pas na het opleggen van de definitieve aanslag aangekondigd. Ten overvloede overweegt het hof dat de correcties bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag niet zonder enige denkbare reden achterwege zijn gebleven. Er liep namelijk ook een discussie over de vraag in welk jaar de correcties moesten worden toegepast. Van een kenbare fout is volgens het hof geen sprake. De Hoge Raad heeft de hofuitspraak recentelijk bevestigd. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.


Bron: HR 18 december 2020, 20/01566, ECLI:NL:HR:2020:2040

Did you find this useful?