Tegemoetkoming Vaste Lasten Q2 2021 voor MKB- en grote ondernemingen | Deloitte Nederland

Article

Tegemoetkoming Vaste Lasten Q2 2021 voor MKB- en grote ondernemingen

MKB- en grote ondernemingen kunnen tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur een aanvraag “Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) Q2 2021” indienen in geval van meer dan 30% omzetverlies.

4 augustus 2021

Uitgangspunten TVL Q2 2021

De TVL is een steunmaatregel voor bedrijven tijdens de coronacrisis en wordt uitgevoerd door de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). De voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op TVL Q2 2021 luiden dat de onderneming fysiek gevestigd is in Nederland, per 30 juni 2020 ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel, een omzetverlies lijdt groter dan 30% vergeleken met de referentieperiode (hierbij is nieuw dat er voor de TVL Q2 2021 de gekozen kan worden tussen Q2 2019 of Q3 2020), vóór 31 december 2019 geen uitstel van betaling bij de rechter heeft aangevraagd en niet in financiële moeilijkheden verkeerde op 31 december 2019 of daarna. Bijzonder uitstel van betaling is geen belemmering om TVL te ontvangen. Publiekrechtelijke rechtspersonen en overheidsbedrijven zijn uitgesloten van de regeling, evenals bepaalde sectoren zoals de financiële dienstverlening.

Voor de TVL Q2 2021 is het vergoedingspercentage verhoogd naar 100%. Dit betrof voor de TVL Q1 2021 nog 85%.

Sinds de TVL Q1 2021 staat de regeling ook open voor grote ondernemingen. Van belang is dat grote ondernemingen die onderdeel uitmaken van een groep, slechts één aanvraag namens de hele groep kunnen indienen.

De regeling werkt in hoofdlijnen hetzelfde als in voorgaande periodes. Zo spelen de werkelijke vaste lasten in de subsidieperiode geen rol, maar worden deze forfaitair bepaald. Verder werkt de regeling met een voorschot. Na goedkeuring, wordt 80% van het aangevraagde bedrag uitgekeerd. Voor de TVL Q2 2021 is het maximale subsidiebedrag éénmalig verhoogd tot € 1,2 miljoen. Dit was € 600.000 voor de TVL Q1 2021.

Hieronder zullen wij nader ingaan op enkele belangrijke aspecten van de TVL Q2 2021.

Wanneer is er sprake van (een groep van) grote onderneming (en)?

Een onderneming kwalificeert als grote onderneming als deze voldoet aan één van de onderstaande criteria (de MKB-toets):

  • meer dan 250 fte in dienst (meerdere medewerkers kunnen 1 fte vervullen) of;
  • een netto omzet van meer dan € 50 miljoen en een balanstotaal van meer dan € 43 miljoen.

Indien hieraan voldaan is kwalificeert de onderneming niet als MKB- maar als grote onderneming. We merken ondernemingen niet altijd scherp op het netvlies hebben dat deze toets aangelegd moet worden en er dan onterecht vanuit gaan dat zij als losse MKB-onderneming een aanvraag kunnen doen.

Om te bepalen van welke entiteiten de cijfers in aanmerking komen voor bovenstaande toets moet gekeken worden naar de partner- en/of verbonden ondernemingen. Partnerondernemingen hebben financiële banden met andere ondernemingen zonder zeggenschap (bijv. 25% tot 50% van de stemrechten). Bij verbonden ondernemingen is er (in)directe zeggenschap (bijv. >50% van de stemrechten). Partnerondernemingen gaan pro rata naar hun belang mee in de MKB-toets. Verbonden ondernemingen worden voor 100% meegenomen in de MKB-toets.

Indien op basis van het bovenstaande de onderneming geen MKB-onderneming is moet er gekeken welke entiteiten onderdeel zijn van de groep. De groepsregeling bestaat eruit dat verbonden ondernemingen voor toepassing van de TVL als één onderneming aangemerkt worden. Op dit niveau moet dan ook de omzetdaling berekend worden (zie hieronder ‘Hoogte van de subsidie’).

Ondernemingen zijn in een groep verbonden als ze een economische eenheid vormen en organisatorisch met elkaar zijn verbonden bijvoorbeeld doordat ze onder dezelfde leiding staan. Ook moeder- en dochtermaatschappijen vormen een groep als de moedermaatschappij beslissende zeggenschap heeft.

Een groep kan slechts één TVL-aanvraag indienen. De aanvrager is de onderneming die per 15 maart 2020 bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven onder een SBI-code die representatief is voor de hele groep. Om te bepalen of de SBI-code representatief is, kan de activiteit met de hoogste omzet als uitgangspunt genomen worden. De aanvrager doet de aanvraag op basis van de groepsomzet. De aanvrager verklaart dat de overige ondernemingen uit de groep akkoord zijn gegaan dat zij als aanvrager optreedt. De TVL wordt aan de aanvrager uitgekeerd. Het is vervolgens aan de groep om de subsidie te verdelen.

Hoogte van de subsidie

De hoogte van de subsidie voor de TVL Q2 2021 wordt bepaald op basis van de volgende formule:

subsidie = de omzet in Q2 2019 of Q3 2020 x het omzetverlies in % x het aandeel vaste lasten gekoppeld aan de SBI-code in % x 100%

Het vergoedingspercentage bedraagt 100%. Dit betrof voor de TVL Q1 2021 nog 85%.

Het minimale subsidiebedrag is € 1.500 euro per kwartaal. De subsidie voor (een groep van) grote ondernemingen is voor het tweede kwartaal éénmalig verhoogd tot maximaal € 1,2 miljoen. De opslag voor ondernemingen in de detailhandel en in de reisbranche komen in het tweede kwartaal niet meer terug. Tot slot mag de totaal ontvangen Nederlandse Covid-19 steun voor de groep niet uitgaan boven het EU-subsidieplafond inzake de Covid 19-uitbraak van in beginsel € 1,8 miljoen.

Wat geldt als omzet en wat is de referentieperiode?

Als omzet geldt in beginsel de omzet voor btw-doeleinden die de in Nederland gevestigde verbonden ondernemingen hebben gerealiseerd buiten de groep. Omzet binnen de Nederlandse groep dient dus te worden geëlimineerd. De btw-aangifte (van de fiscale eenheid) vormt dan ook het vertrekpunt bij de omzetbepaling. Omzet die niet in de btw-aangifte wordt gerapporteerd, zoals diensten aan ondernemers buiten de EU en vrijgestelde prestaties, dienen hierbij opgeteld te worden.

Het omzetverlies wordt bepaald door de omzet Q2 2021 te vergelijken met de Q2 2019 dan wel Q3 2020 omzet, de zogenoemde referentie-omzet. Voor ondernemingen die in Q2 2019 of later zijn gestart, werkt de keuze van de referentieperiode anders uit. Naast de mogelijkheid om te kiezen voor Q3 2020 als referentieperiode, kan door deze ondernemingen worden gekozen voor een afwijkende referentieperiode. Er gelden dan bijzondere regelingen.

Ondernemingen die Q3 2020 als referentiekwartaal kiezen, mogen de ontvangen TVL of andere Covid-19 subsidies (zoals TOGS, NOW, etc.) uit Q3 2020, niet meetellen als omzet.

Aanvraag en vaststelling

Bij de subsidieaanvraag moeten kopieën van de aangiften BTW in de referentieperiode ingediend worden. Ook moet de samenstelling van de groep van verbonden ondernemingen op het moment van aanvraag, in de referentieperiode en in de subsidieperiode (Q2 2021) worden verstrekt. Bij aanvragen hoger dan € 125.000 moet dit zijn vastgelegd in een mee te sturen accountantsproduct. Tevens vermeldt dit product het totaal ontvangen bedrag aan verleende steun met het oog op de hoogte van het EU-subsidieplafond (totale steun maximaal € 1,8 miljoen).

RVO zegt toe om binnen 13 weken te beslissen op de aanvraag. Bij goedkeuring wordt vervolgens binnen enkele dagen 80% van het aangevraagde bedrag als voorschot overgemaakt.

Vóór 12 januari 2022 moet de onderneming een aanvraag tot vaststelling van de TVL indienen waarbij kopieën van de aangiften BTW uit de subsidieperiode moeten worden gevoegd. Bij subsidies hoger dan € 125.000 moet bij de aanvraag tot vaststelling een accountantsproduct worden gevoegd met daarin onder meer de referentie omzet, de werkelijke Q2 2021 omzet en het percentage van de omzetdaling. Ook de groepssamenstelling bij aanvraag, in de referentieperiode en de subsidieperiode moet hierin zijn opgenomen. RVO verrekent vervolgens de daadwerkelijke subsidie met het voorschot, hetgeen tot ontvangst of terugbetaling kan leiden. Ondernemers die tussen 15 maart en 30 juni 2020 zijn gestart en een subsidie van €25.000 of hoger aanvragen, hebben tevens een derdenverklaring nodig.

Samenloop met NOW

De TVL telt vanaf NOW 3 (oktober 2020) niet meer mee als omzet voor de NOW. Voor NOW 1 en 2, telt de TVL Q1 2021 wel mee. Dit kan ertoe leiden dat NOW terugbetaald moet worden. Dit speelt met name voor bedrijven in een sector met een hoog vaste lasten percentage.

Andersom kwalificeert de verkregen NOW niet als omzet voor de TVL.

De NOW-regeling is niet aangemerkt als staatssteun. Om deze reden telt de NOW niet mee bij de bepaling van genoemd EU subsidieplafond.

Administratie

De subsidieontvanger moet een administratie bijhouden waaruit blijkt dat hij voldoet aan de gestelde eisen. Deze administratie moet tot tien jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard worden.

Did you find this useful?