Tussentijdse leegstand leidt niet tot herziening van reeds in aftrek gebrachte btw | Deloitte Nederland

Article

Tussentijdse leegstand leidt niet tot herziening van reeds in aftrek gebrachte btw

Het Hof van Justitie EU heeft een belangrijk arrest gewezen over de invloed van tussentijdse leegstand op de reeds terecht gepleegde aftrek van btw ter zake van de aanschaf van een onroerende zaak.

28 februari 2018

Uitspraak Europese Hof van Justitie

In de zaak Imofloresmira (C-672/16) verhuurde belanghebbende twee onroerende zaken aan diverse huurders waarbij met alle huurders was geopteerd voor een met btw-belaste verhuur. Wegens beëindiging van een aantal huurovereenkomsten kwam een gedeelte van beide onroerende zaken echter tussentijds leeg te staan, waarbij Imofloresmira aantoonbaar de bedoeling had om de leegstaande delen weer btw-belast te gaan verhuren. Helaas lukte het belanghebbende niet om de delen weer te verhuren en bleven deze meer dan twee jaren leeg staan.

De Portugese belastingdienst stelde zich op grond van de Portugese btw-wetgeving op het standpunt dat wegens de leegstand de door belanghebbende gepleegde aftrek met betrekking tot de onroerende zaken diende te worden herzien. In het kort werd aan het HvJ EU gevraagd of een dergelijke herziening is toegestaan in het licht van de relevante btw-richtlijnbepalingen.

Het antwoord van het HvJ EU is uiteindelijk vrij eenvoudig. De genoten btw-aftrek bij aanschaf van de onroerende zaken kan niet worden herzien indien na de initiële btw-belaste verhuur delen van de onroerende zaken leeg komen te staan buiten de wil van belastingplichtige terwijl hij het voornemen heeft om de leegstaande delen (weer) btw-belast te gaan verhuren.

Gevolgen voor de praktijk

Uit het arrest van het HvJ EU wordt duidelijk dat tussentijdse leegstand niet leidt tot herziening van eerder in aftrek gebrachte btw over de aanschaf van een onroerende zaak, ervan uitgaande dat de belastingplichtige aantoonbaar het voornemen heeft om het leegstaande deel btw-belast te gaan gebruiken.

Uit dit arrest valt jammer genoeg niet af te leiden wat de gevolgen zouden zijn indien de tussentijdse leegstand – ondanks het voornemen tot btw-belaste verhuur - zou worden gevolgd door vrijgestelde verhuur.

Evenmin valt af te leiden wat de gevolgen zijn in de ‘omgekeerde situatie’ waar bij aanschaf van de onroerende zaak geen btw-aftrek is genoten vanwege btw-vrijgestelde verhuur en de onroerende zaak vervolgens (gedeeltelijk) leeg komt te staan waarbij de belastingplichtige aantoonbaar het voornemen heeft om het leegstaande deel btw-belast te gaan verhuren. Volgens de Hoge Raad kan de belastingplichtige in dat geval de leegstand aanmerken als btw-belast gebruik en als gevolg daarvan herzienings-btw terugvragen aan de Belastingdienst.

In de praktijk werden vraagtekens gezet bij de juistheid van het oordeel van de Hoge Raad. Het arrest van het HvJ EU schept hier vooralsnog geen duidelijkheid over, waardoor belastingplichtigen naar onze mening nog kunnen varen op het desbetreffende arrest van de Hoge Raad.

Vond u dit nuttig?