Tweede winstgrens onverkort van toepassing op verenigingen en stichtingen | Deloitte Nederland

Article

Tweede winstgrens onverkort van toepassing op verenigingen en stichtingen

Volgens de Hoge Raad geldt de tweede winstgrens van €75.000 voor toepassing van de subjectieve vrijstelling van verenigingen en stichtingen in de VPB ook als er sinds de oprichting minder dan vijf boekjaren zijn verstreken.

3 februari 2022

De belastingplicht van verenigingen

Verenigingen en stichtingen zijn vennootschapsbelastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven. Heffing vindt plaats voor zover activa, passiva, baten en lasten zijn toe te rekenen aan het ‘ondernemingsdeel’ van de betreffende vereniging of stichting. Verenigingen en stichtingen die een onderneming drijven zijn echter alsnog vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien de winst in een jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 (hierna: de eerste winstgrens) of als de winst in de afgelopen vijf jaren niet meer bedraagt dat € 75.000 (hierna: de tweede winstgrens). Recent heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over toepassing van die tweede winstgrens als een vereniging of stichting minder dan vijf jaar geleden is opgericht.

De inspecteur hanteert een pro-rata benadering

In onderhavig arrest was belanghebbende een vereniging die ten aanzien van resultaten uit commerciële activiteiten belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting. De vereniging was opgericht op 22 december 2009 en behaalde in de drie opvolgende jaren winsten van respectievelijk € 9.884, € 28.443 en € 31.414 (in totaal: € 69.731). De inspecteur meende dat de stichting in 2012 geen recht had op de vrijstelling, omdat de tweede winstgrens pro rata moet worden toegepast. De vereniging bestond toen drie jaar en zou alleen recht hebben op de vrijstelling bij een gezamenlijke winst van maximaal € 45.000 (3/5 x €75.000). Deze tijdsevenredige benadering heeft de inspecteur gebaseerd op een beleidsbesluit. Volgens de staatssecretaris brengt een redelijke wetstoepassing met zich mee dat, indien een vereniging of stichting nog geen vijf jaar belastingplichtig is, de tweede winstgrens van €75.000 ‘pro-rata’ wordt verdeeld over jaren waarin de stichting of vereniging wel belastingplichtig is.

Volgens het hof heeft de inspecteur terecht een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het jaar 2012. Op basis van een grammaticale uitleg komt het gerechtshof tot het oordeel dat de vereniging niet voldoet aan de eerste winstgrens en niet kan voldoen aan de tweede winstgrens. De wettekst bepaalt dat een vereniging of stichting recht heeft op de vrijstelling indien in het jaar zelf en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer dan €75.000 aan winst is behaald. Indien een lichaam nog geen vijf jaren bestaat, kan het per definitie niet voldoen aan die eis, aldus het hof.

Volgens de Hoge Raad is tweede winstgrens onverkort van toepassing

De Hoge Raad oordeelt echter anders en verklaart het cassatieberoep van de vereniging gegrond. Volgens de Hoge Raad valt uit de bewoordingen van art. 6 Wet Vpb 1969 niet af te leiden dat de tweede winstgrens pas kan worden toegepast nadat de vereniging vijf jaar bestaat. Ook de strekking van de regeling leidt niet tot die conclusie. De tweede grens is bedoeld om een tegemoetkoming te verlenen indien de eerste winstgrens in een bepaald jaar door een incidentele oorzaak zou worden overschreden. Met die bedoeling is niet te verenigen dat de tweede winstgrens nooit zou kunnen worden toegepast in de vier (boek)jaren die volgen na het jaar van oprichting. Voor de vereniging in deze procedure betekent dit dat zij in het jaar 2012 is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. De gezamenlijke winst van € 69.731 is immers lager dan de tweede winstgrens, waardoor de vereniging binnen de reikwijdte van de vrijstelling valt.


Bron: HR 21 januari 2022, 20/00772, ECLI:NL:HR:2022:51.

Did you find this useful?