Vennootschap geconfronteerd met beperking aftrek voorbelasting als gevolg van houdsteractiviteiten | Deloitte

Article

Vennootschap geconfronteerd met beperking aftrek voorbelasting als gevolg van houdsteractiviteiten

Volgens een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak MVM (C-28/16) wordt een vennootschap geconfronteerd met beperking van aftrek van voorbelasting als gevolg van houdsteractiviteiten. Indien u belangen heeft in een holdingvennootschap, of in een vennootschap die zich tevens bezighoudt met houdsteractiviteiten, is het van belang kennis te nemen van deze uitspraak en uw eigen btw-positie in kaart te brengen.

13 februari 2017

English version

Feiten

MVM is een commercieel Hongaars staatsbedrijf dat actief is in de energiesector. De vennootschap verhuurt elektriciteitscentrales en optische vezelnetwerken tegen vergoeding. Ook heeft zij een aantal dochterondernemingen, die zich voornamelijk bezighouden met het opwekken of verkopen van elektriciteit. MVM en haar dochterondernemingen vormen geen fiscale eenheid voor de btw.

Als holding is MVM verantwoordelijk voor het strategisch management. In dat kader heeft zij juridische dienstverlening betrokken, alsmede dienstverlening op het vlak van bedrijfsbeheer en public relations. Deze diensten zijn verricht ten behoeve van de vennootschap zelf, de groep als geheel en alle leden van de groep. MVM heeft de btw die de betrokken dienstverleners haar in rekening hebben gebracht zelf in aftrek gebracht. Behoudens enkele uitzonderingen, heeft MVM deze strategische managementkosten niet doorbelast aan haar dochterondernemingen. Evenmin heeft zij bij de vennootschappen een algemene vergoeding voor strategisch management in rekening gebracht.

De Hongaarse belastingdienst stelde zich op het standpunt dat MVM de btw over bovengenoemde dienstverlening slechts in aftrek kon brengen voor zover zij deze diensten had aangewend voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten. Aldus weigerde de Hongaarse belastingdienst MVM het recht op aftrek van btw over die diensten, voor zover deze waren gebruikt in het belang van de andere groepsleden of waar het bedrijfsbeheerdiensten betrof, met name op het gebied van de verwerving van deelnemingen.


Uitspraak Europese Hof van Justitie

In zijn uitspraak in de zaak MVM herhaalt het Europese Hof van Justitie bestaande jurisprudentie over de btw-status van vennootschappen. Ten eerste stelt zij vast dat een holdingvennootschap die als enig doel heeft de verwerving van aandelen in andere deelnemingen en die zelf direct noch indirect betrokken is bij het beheer van deze deelnemingen, niet de hoedanigheid van btw-plichtige heeft. Vervolgens stelt het Hof dat de betrokkenheid van een holding bij het beheer van vennootschappen waarin zij een belang heeft verworven een economische activiteit vormt waar dit transacties betreft die voor deze deelnemingen onderworpen zijn aan btw, zoals de levering door de holding aan haar dochtermaatschappijen van administratieve, financiële, commerciële en technische diensten. De loutere inmenging van MVM in het beheer van haar dochterondernemingen zonder handelingen te verrichten die voor deze dochterondernemingen aan btw zijn onderworpen, is geen economische activiteit.

Als gevolg hiervan heeft MVM geen recht op aftrek van de voorbelasting over kosten die in rechtstreeks en onmiddellijk verband staan met de houdster- of beheersactiviteiten, aangezien zij voor deze activiteiten geen vergoeding in rekening heeft gebracht bij haar dochtermaatschappijen. De btw op kosten die zowel betrekking hebben op de verhuuractiviteiten van MVM als op haar houdster- en beheersactiviteiten is in zekere mate wel aftrekbaar. Het Europese Hof van Justitie merkt verder op dat het moeilijk lijkt voor te stellen dat de onderhavige dienstverlening, namelijk dienstverlening aangekocht ten behoeve van andere leden van de groep en bedrijfsbeheersdiensten die voornamelijk betrekking hebben op de verwerving van deelnemingen, rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de verhuuractiviteiten van MVM als geheel gezien. Hierover dient de verwijzende Hongaarse rechtbank zich te buigen.


Positie van Nederlandse holdings

In onze optiek verschilt de positie van Nederlandse holdings van die van MVM. Allereerst omdat een holding zoals MVM, die wordt aangemerkt als een btw-belastingplichtige, onderdeel kan zijn voor een fiscale eenheid voor de btw in Nederland. Daarnaast kan op basis van de zogenoemde holdingresolutie een holding die beheersactiviteiten verricht maar deze niet bij haar dochterondernemingen in rekening brengt, wèl deel uitmaken van een fiscale eenheid voor de btw.

Als de vorming van een fiscale eenheid voor de btw geen optie is, kunnen Nederlandse holdings naar onze mening een beroep doen op paragraaf 11 van de holdingresolutie. Deze paragraaf bepaalt dat indien een persoon reeds btw-plichtig is, houdsteractiviteiten niet van invloed zijn op het recht om btw in aftrek te brengen indien deze aandelen ten behoeve van de onderneming worden gehouden. Toch vinden sommige holdings die zich beroepen op deze paragraaf de Belastingdienst tegenover zich, die zich daarbij op het standpunt stelt dat paragraaf 11 achterhaald is als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Deze holdings worden dan geconfronteerd met een beperking van het recht op aftrek van btw.


De toekomst voor holdings

Een gewijzigde versie van de holdingresolutie zal naar verwachting in de (nabije) toekomst verschijnen. De resolutie zal naar verwachting worden gewijzigd ten aanzien van de aftrek van btw, en holdings die geen vergoeding in rekening brengen aan hun dochterondernemingen zullen geconfronteerd worden met een aftrekbeperking voor de btw.


Wat kunt u doen?

Omdat aanpassing van de holdingresolutie binnenkort wordt verwacht en de Belastingdienst het recht op aftrek van btw van holdings in bepaalde situaties nu al betwist, adviseren wij u - indien mogelijk – uw dochterondernemingen een vergoeding in rekening brengen voor (beheers)activiteiten. Indien dit niet mogelijk is raden wij u aan de mogelijkheden te onderzoeken om onderdeel uit te (gaan) maken van een fiscale eenheid voor de btw.

Indien ook dit niet tot de mogelijkheden behoort, bijvoorbeeld omdat de dochterondernemingen in het buitenland gevestigd zijn, adviseren wij u uw btw-positie samen met uw adviseur in kaart te brengen om te beoordelen welke gevolgen het bovenstaande kan hebben voor uw btw-positie.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen