Vergoeding voor afzien van optierechten vormt loon

Article

Vergoeding voor afzien van optierechten vormt loon

De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van Hof Den Bosch dat het afzien van optierechten een vervreemding is. De vergoeding die de werknemers hebben ontvangen voor het afstand doen van deze rechten vormt loon.

11 oktober 2017

Afstand

In 1998 en in 1999 kende BV X aandelenoptierechten toe aan een aantal werknemers. Het optierecht behelsde het recht om certificaten van aandelen te verkrijgen in een tot het concern behorende vennootschap. In het kader van een voorgenomen beursgang in 1999 hebben de optiehouders tegen een vergoeding afstand gedaan van hun rechten. De vergoeding werd in eerste instantie rentedragend schuldig gebleven, maar is uiteindelijk uitbetaald op 13 december 2001. Uiteindelijk gaat de beursgang niet door en eind 2001 wordt het concern verkocht.

Vervreemding?

Na een deelonderzoek loonbelasting inzake personeelsopties heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd, omdat naar zijn mening sprake is van afkoop van de optierechten. Volgens de werknemers heeft echter geen vervreemding plaatsgevonden, omdat de optierechten niet zijn overgegaan naar het vermogen van een ander.

Hof Den Bosch heeft vooropgesteld dat de betekenis die redelijkerwijs aan de overeenkomsten (waarin afstand van het optierecht is gedaan) mocht worden toegekend van belang is. Uit de bewoording in de overeenkomsten leidt het Hof af dat de bedoeling van partijen is geweest om tegen vergoeding afstand te doen van de optierechten. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat de wetgever beoogt om elk voordeel dat wordt behaald met optierechten die feitelijk kortlopend zijn in de belastingheffing te betrekken. Het begrip vervreemding moest volgens het Hof meer economisch dan juridisch worden uitgelegd.

Gelet hierop, en gelet op de betekenis die partijen over en weer aan de gesloten overeenkomsten redelijkerwijs mochten toekennen, oordeelde het Hof dat de overeenkomsten moeten worden opgevat als een vervreemding van de optierechten. Het daarmee behaalde voordeel was derhalve belast tegen de nominale waarde van de vergoedingen op het tijdstip waarop deze rentedragend zijn geworden. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. In cassatie bevestigt de Hoge Raad de uitspraak van het Hof zonder nadere motivering.

Huidige wetgeving

Het draaide in deze zaak om artikel 10a Wet LB 194 zoals die bepaling gold tot 2005. Vóór 2005 was een aanvullende heffing over aandelenopties van toepassing. Deze waren belast op het moment van onvoorwaardelijke toekenning. De aanvullende heffing hield in dat het daadwerkelijk gerealiseerde optievoordeel belast was als de opties binnen de eerste drie jaar werden uitgeoefend of vervreemd. Vanaf 2005 is het optievoordeel alleen belast bij uitoefening of vervreemding. Het blijft dus ook onder het huidige wettelijke regime van belang wat onder vervreemding moet worden verstaan.


Bron: HR 29 september 2017, 16/02984, ECLI:NL:HR:2017:2459 en Hof Den Bosch 28 April 2016, 11/00357, ECLI:NL:GHSHE:2016:1706

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen