Vergoeding wegens inactiviteit volgens A-G niet in Nederland belast | Deloitte Nederland

Article

Vergoeding wegens inactiviteit volgens A-G niet in Nederland belast

A-G Niessen concludeert dat een werknemer die na een arbeidsconflict verhuist naar een land waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft, en vervolgens nog een vergoeding ontvangt zonder de verplichting om arbeid te verrichten, hierover geen Nederlandse inkomstenbelasting is verschuldigd.

15 september 2021

Vrijstelling van werkzaamheden

X is werknemer en bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap (hierna: C). Naar aanleiding van een conflict tussen X en de overige bestuurders over de eventuele verkoop van de aandelen in C, is X vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van salaris. Op 15 maart 2015 is X geëmigreerd naar Costa Rica en vervolgens per 31 december 2015 uit dienst getreden.

X heeft in 2015 een loon ontvangen van € 90.407, dat ziet op de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2015. De Inspecteur stelt dat dit gehele loon in Nederland belast is. Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam zijn het met de Inspecteur eens. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de looninkomsten die X heeft ontvangen voor de periode van 15 maart 2015 tot 31 december 2015 als buitenlands belastingplichtige zijn genoten, namelijk ter zake van het verrichten dan wel hebben verricht van arbeid in dienstbetrekking in Nederland.

Heffingsrecht

A-G Niessen concludeert echter dat de vergoeding die X na zijn verhuizing heeft ontvangen van de werkgever, niet belast is in Nederland. Hij wijst daarbij op artikel 7.2, 2, b, Wet IB 2001: Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid.

De A-G meent dat X de vergoeding ontvangt voor het beschikbaar zijn voor werkzaamheden. Het beschikbaar zijn voor werkzaamheden is volgens de A-G een prestatie van de werknemer aan de werkgever. X is na zijn verhuizing niet in Nederland geweest. Hij heeft zijn prestatie, te weten het beschikbaar zijn, dus niet in Nederland uitgevoerd. Om die reden zou Nederland niet kunnen heffen.

Heffingsfictie

Interessant is verder dat de A-G ingaat op de werking van de fictie van artikel 7.2, lid 7, eerste volzin, Wet IB 2001. Op basis van deze bepaling wordt een voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB gedeeltelijk buiten Nederland uitgeoefende dienstbetrekking geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De A-G oordeelt dat de fictie in deze casus niet aan de orde is, omdat X zijn prestatie volledig buiten Nederland verricht vanaf zijn verhuizing naar Costa Rica. Bij het toepassen van de fictie kijkt men, volgens de A-G, naar de periode waarin de persoon buiten Nederland woont, en niet bijvoorbeeld naar een kalenderjaar.

Commentaar

Het oordeel is nu aan de Hoge Raad. Wij sluiten niet uit dat de Hoge Raad de benadering van de Rechtbank en het Hof volgt en toch zal oordelen dat Nederland belasting kan heffen over de vergoeding die X na zijn verhuizing naar Costa Rica heeft ontvangen.

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2006 geoordeeld over een naar Mexico geëmigreerde TV presentatrice die zich eveneens beschikbaar moest houden. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat Nederland niet mocht heffen over haar loon van de Nederlandse omroep. De TV-presentatrice moest zich beschikbaar houden voor de omroep en dat deed zij in Mexico. Mexico had op basis van het belastingverdrag Mexico-Nederland het heffingsrecht over het loon, aldus de Hoge Raad.

In de casus die nu voorligt, is er echter geen belastingverdrag van toepassing. Bovendien heeft de werkgever van X, hem al voor zijn emigratie naar Costa Rica ontslag aangeboden. X kreeg het recht op doorbetaling van loon tot eind 2015, terwijl hij tegelijk was vrijgesteld om te werken. Deze regeling is goed vergelijkbaar met het recht op loondoorbetaling tijdens een opzegtermijn (“garden leave”). Volgens aantekening 2.6 van het OESO commentaar op artikel 15 van het modelverdrag heeft het land waarin de werknemer het laatst heeft gewerkt het heffingsrecht over dit soort betalingen. In deze zaak zou dat Nederland zijn. Normaliter wordt deze regel ook toegepast in relatie tot niet verdragslanden. Daarom valt niet uit te sluiten dat de Hoge Raad tot belastingheffing in Nederland komt, of de zaak terugverwijst.

Bron: Conclusie A-G 11 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:754

Did you find this useful?