Vergrijpboete ten onrechte verminderd vanwege schending vormvoorschrift | Deloitte

Article

Vergrijpboete ten onrechte verminderd vanwege schending vormvoorschrift

De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof verzuimd heeft om eerst vast te stellen of de belastingplichtige wel is benadeeld door het late tijdstip waarop de vergrijpboete is aangekondigd.

3 juli 2017

English version

Recht op een eerlijk proces

In artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is het recht op een eerlijk proces neergelegd. De Hoge Raad heeft reeds enige decennia geleden geoordeeld dat de waarborgen die deze bepaling biedt niet alleen gelden wanneer strafvervolging tegen iemand wordt ingesteld, maar ook wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Een van de in art. 6 EVRM voorziene waarborgen is dat iemand ‘onverwijld’ op de hoogte moet worden gesteld van de aard en reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. In het fiscale boeterecht is deze bepaling zo ‘vertaald’ dat uiterlijk gelijktijdig met het opleggen van een boete aan de belastingplichtige de feiten moeten worden meegedeeld die hiertoe aanleiding hebben gegeven. Indien sprake is van een vergrijpboete moet de inspecteur bovendien motiveren waarom sprake zou zijn van opzet of grove schuld. Schending van dit essentiële voorschrift leidt ertoe dat de opgelegde boete moet vervallen.


Onderscheid tussen verzuim- en vergrijpboete

Recentelijk deed zich de vraag voor of de rechter ook consequenties moet verbinden aan het feit dat een belanghebbende niet voorafgaand aan het opleggen van een vergrijpboete in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.

De zaak ging over een belastingplichtige aan wie tijdens een bespreking met de inspecteur op 23 juli 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 bekend werd gemaakt. Tegelijkertijd werd een vergrijpboete opgelegd. In hoger beroep klaagde de belastingplichtige dat hij niet naar behoren in de gelegenheid is gesteld om op het boetevoornemen te reageren. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de handelwijze van de inspecteur niet door de beugel kan en vermindert de opgelegde boete met 40 procent.


Hoge Raad

Tegen deze uitspraak komt de staatssecretaris met succes in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat voor vermindering van de boete slechts plaats is indien komt vast te staan dat de belastingplichtige door de gang van zaken benadeeld is. Uit eerdere jurisprudentie blijkt dat dit niet het geval is wanneer een belastingplichtige in de bezwaarfase alsnog de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de boete kenbaar te maken en dit niet geleid heeft tot vermindering van het boetebedrag. In casu heeft het gerechtshof niets vastgesteld over een eventuele benadeling, zodat de uitspraak op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. De zaak wordt voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar Hof Amsterdam.


Bron: HR 30 juni 2017, 16/00502, ECLI:NL:HR:2017:1178

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen