Verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd met discriminatieverbod | Deloitte Nederland

Article

Verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd met discriminatieverbod

Recent heeft de Hoge Raad zich moeten buigen over twee zaken waarin de vraag opkwam of de verhuurderheffing in strijd is met het discriminatieverbod. In beide zaken oordeelde ons hoogste rechtscollege dat dit wel het geval is.

20 juni 2018

Verhuurderheffing

De verhuurderheffing geldt voor verhuurders van woningen in de gereguleerde sector. Tot de gereguleerde sector behoren woningen waarvan de huurprijs niet hoger is dan de huurtoeslaggrens (2018: maximaal € 710,68 per maand). De heffing is primair bedoeld om extra overheidsinkomsten te genereren. Voor toepassing van de verhuurderheffing moet onder andere sprake zijn van een ‘in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning’.

Natuurlijke personen of (groepen van) rechtspersonen zijn belastingplichtig wanneer zij meer dan vijftig van de hierboven bedoelde woningen bezitten. Het belastbare bedrag wordt berekend door de som van de WOZ-waarden van de woningen te verminderen met vijftig maal de gemiddelde WOZ-waarde van die woningen. Hierbij geldt dat voor de toepassing van deze regeling de WOZ-waarde wordt gesteld op maximaal € 250.000. Het percentage van de verhuurderheffing bedraagt in 2018 0,591%.  

Mede-eigendom

Wanneer meerdere personen eigenaar zijn van een woning, wordt deze woning voor de verhuurderheffing slechts in aanmerking genomen bij de persoon op wiens naam de WOZ-beschikking van de betreffende woning wordt uitgereikt. Dit leidt tot de situatie dat bij gedeelde eigendom slechts een van de eigenaren de verhuurderheffing krijgt opgelegd, terwijl alle eigenaren recht hebben op de opbrengsten van de woning.

Omdat het bekendmaken van WOZ-beschikkingen en het opleggen van aanslagen OZB een gemeentelijke aangelegenheid is, kan de systematiek bovendien per gemeente verschillen. In de wetsgeschiedenis is aangegeven dat degene die belastingplichtig is voor de verhuurderheffing de andere mede-eigenaren op grond van het privaatrecht kan aanspreken voor de belastingschuld. Hiermee zou deze schuld weer bij alle mede-eigenaren komen te liggen.

Volgens de Hoge Raad biedt het privaatrecht de door de wetgever geschetste mogelijkheid echter niet zonder meer, omdat de verhuurderheffing niet gebonden is aan een object maar aan een (rechts)persoon. Dit leidt tot het oordeel dat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen: aan de ene kant de mede-eigenaar op wiens naam de WOZ-beschikking staat die de gehele verhuurderheffing draagt en aan de andere kant de mede-eigenaren die de verhuurderheffing niet dragen. De aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsmarge is hier overschreden.

De Hoge Raad ziet geen mogelijkheden om zelf tot een structurele oplossing te komen, omdat hij dan te veel op de stoel van de wetgever zou gaan zitten. Wel vindt de Hoge Raad aanleiding om de verhuurderheffing in dusdanige gevallen buiten aanmerking te laten. De wetgever is nu aan zet om de ongelijke behandeling op te heffen.


Bron: HR 8 juni 2018, 16/04098, ECLI:NL:HR:2018:846

Vond u dit nuttig?