Verlengde navorderingstermijn niet in strijd met vrijheid van kapitaalverkeer | Deloitte

Article

Verlengde navorderingstermijn niet in strijd met vrijheid van kapitaalverkeer

De Hoge Raad heeft einduitspraak gedaan in een aantal zaken waarin toepassing van de verlengde navorderingstermijn in relatie tot de vrijheid van kapitaalverkeer centraal stond.

8 juni 2017

Inleiding

Reeds in 2009 heeft het Hof van Justitie EU zich in de zaak Passenheim-Van der Schoot uitgelaten over de houdbaarheid van de Nederlandse verlengde navorderingstermijn. In binnenlandse situaties is navordering mogelijk tot vijf jaar terug in de tijd, terwijl deze in grensoverschrijdende situaties twaalf jaar bedraagt. Volgens het HvJ EU is dit onderscheid in relatie tot andere EU-lidstaten in principe in strijd met het vrije kapitaalverkeer. Wanneer de belastingautoriteiten de beschikking krijgen over aanwijzingen dat een inwoner van Nederland tegoeden, of inkomsten hieruit, in een andere EU-lidstaat aanhoudt, is overschrijding van de vijfjaarstermijn alleen aanvaardbaar indien de belastingdienst voortvarend te werk gaat bij het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en het voorbereiden en vaststellen van een aanslag.

De Hoge Raad heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU of de hierboven weergegeven interpretatie ten aanzien van de houdbaarheid van de verlengde navorderingsstermijn ook geldt in relatie tot niet-EU/EER-lidstaten (vrijheid van kapitaalverkeer). Het Hof heeft deze vragen op 15 februari 2017 bevestigend beantwoord.


Standstillbepaling

De zaak draait om een belanghebbende tegen wie aangifte is gedaan ter zake van een overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer. In 2007 wordt tevens een fiscaal onderzoek ingesteld. Begin 2009 wordt duidelijk dat belanghebbende ook over buitenlandse bankrekeningen beschikt, wat in november 2010 leidt tot het opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 1998 tot en met 2006. De inspecteur doet daartoe een beroep op de verlengde navorderingstermijn.

Belanghebbende vraagt zich af of de belastingautoriteiten wel voldoende voortvarend hebben gehandeld. Deze vraag kan echter alleen aan de orde komen indien de beslissing in de zaak Passenheim-Van der Schoot ook van toepassing is op het vrije kapitaalverkeer naar en uit derde landen. Aangezien het in kwestie een Zwitserse effectenregeling betreft, is de inbreuk op het vrije kapitaalverkeer mogelijk toegestaan op grond van de Europeesrechtelijke standstill-bepaling. Op grond van deze bepaling mogen EU-lidstaten namelijk bepaalde op 31 december 1993 bestaande beperkingen van het vrije kapitaalverkeer in relatie met derde landen handhaven.


Reikwijdte verlengde navorderingstermijn

Het voornaamste punt waar de Hoge Raad mee worstelde was dat de verlengde navorderingstermijn niet beperkt is tot expliciet in de standstill-bepaling genoemde activiteiten (waaronder financiële dienstverlening). Het Hof van Justitie EU is echter van mening dat dit geen belemmering vormt om deze bepaling te kunnen inroepen. Tevens oordeelt het Hof dat opening van een effectenrekening door een ingezetene van een lidstaat bij een bankinstelling buiten de EU inderdaad kwalificeert als kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten als bedoeld in de standstill-bepaling van art. 64 VWEU. Door toepassing van deze bepaling bestaat effectief geen inbreuk op het vrije kapitaalverkeer. Hiermee is duidelijk geworden dat de verlengde navorderingstermijn in relatie tot derde landen zonder beperkingen kan worden toegepast.


Einduitspraak Hoge Raad

Naar aanleiding van voornoemde prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie EU heeft de Hoge Raad op 2 juni 2017 einduitspraak gedaan. Ons hoogste rechtscollege oordeelt dat de verlengde navorderingstermijn in casu zonder meer kan worden toegepast. De stelling van belanghebbende dat de wettelijke navorderingsbevoegdheid zou zijn vervallen vanwege het weinig voortvarende handelen van de inspecteur wordt verworpen. De uitoefening van die navorderingbevoegdheid is volgens de Hoge Raad evenmin in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel). Ten slotte verwerpt de Hoge Raad de stelling dat het niet-voortvarend opleggen van navorderingsaanslag strijd oplevert met het door art. 1 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde eigendomsrecht. Van een buitensporige last voor belanghebbende is geen sprake.


Bron:

  • HvJ EU 15 februari 2017, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119
  • HR 2 juni 2017, 14/00528, ECLI:NL:HR:2017:843
Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen