Verpleegkundige werkzaam in dienstbetrekking bij zorgaanbieder | Deloitte Nederland

Article

Verpleegkundige werkzaam in dienstbetrekking bij zorgaanbieder

Nu de zorgaanbieder eindverantwoordelijk is voor AWBZ-zorg, is het noodzakelijk dat zij aanwijzingen kan geven aan ingeschakelde zorgverleners. Alle elementen van een dienstbetrekking zijn aanwezig.

4 april 2018

Overeenkomst van opdracht

Een verpleegkundige verleende in 2013 en 2014 AWBZ-thuiszorg. Zij had daartoe een overeenkomst van opdracht gesloten met een thuiszorginstelling (zorgaanbieder). Daarnaast deed zij mee aan een pilot om als ZZP’er direct thuiszorg te verlenen aan zorgvragers zonder tussenkomst van een thuiszorginstelling. Voor 2013 en 2014 had de inspecteur een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) afgegeven waarop stond dat de voordelen uit de thuiszorgwerkzaamheden winst uit onderneming vormden. Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij een thuiszorginstelling, heeft de inspecteur de Verklaring Arbeidsrelatie echter herzien. Voor de werkzaamheden die de verpleegkundige via het thuiszorgbureau had verricht, gaf de inspecteur een VAR-loon af. De VAR-winst uit onderneming bleef in stand voor werkzaamheden in de pilot.

Dienstbetrekking

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de inspecteur de VAR terecht herzien omdat de verpleegkundige in dienstbetrekking werkzaam was. Het is vaste rechtspraak dat voor de beoordeling of al dan niet sprake is van een dienstbetrekking acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Niet alleen de rechten en plichten die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden zijn van belang, maar ook de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd. Volgens het Hof was duidelijk dat de verpleegkundige de werkzaamheden persoonlijk moest verrichten en dat de thuiszorginstelling haar daarvoor loon betaalde. Verder oordeelde het Hof dat uit de wet- en regelgeving over AWBZ-zorg volgt dat de thuiszorginstelling eindverantwoordelijk is voor de thuiszorg die verleend wordt. Daartoe is noodzakelijk dat de thuiszorginstelling zowel op vakinhoudelijk als op organisatorisch gebied een instructiebevoegdheid heeft en daarvan ook daadwerkelijk gebruik kan maken. Er was dus tevens sprake van een gezagsverhouding, zodat aan alle elementen voor de aanwezigheid van een dienstbetrekking is voldaan.

De Hoge Raad heeft het Hof in deze redenering gevolgd. Ook wet- en regelgeving die van invloed is op de wijze waarop de verpleegkundige en de thuiszorginstelling samenwerken, is een factor die medebepalend is voor de aanwezigheid van een dienstbetrekking. De verpleegkundige was aldus werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Daaraan doet niet af dat partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht.

Opvallend is nog dat Hof Den Haag onlangs een verpleegkundige in de thuiszorg wél als zelfstandige aanmerkte en minder gewicht toekende aan de rol van wet- en regelgeving over AWBZ zorg. Met dit arrest lijkt de uitspraak van Hof Den Haag in zoverre achterhaald.


Bronnen:

  • Hoge Raad 30 maart 2018, nr. 17/00395, ECLI:NL:HR:2018:343
  • Hof Den Haag 19 december 2017, nr. BK-17/00504, ECLI:NL:GHDHA:2017:3799
Vond u dit nuttig?