Voorstel tot wijziging btw-sportvrijstelling bekend gemaakt op Prinsjesdag | Deloitte Nederland

Article

Voorstel tot wijziging btw-sportvrijstelling bekend gemaakt op Prinsjesdag  

Zoals in diverse eerdere nieuwsberichten aangekondigd, heeft de wetgever het voornemen de btw-sportvrijstelling (hierna: sportvrijstelling) per 1 januari 2019 aan te passen naar aanleiding van Europese jurisprudentie.

19 september 2018

De wijziging van de sportvrijstelling kan negatief uitpakken voor gemeenten en sportorganisaties doordat het recht op aftrek van btw verloren gaat. Om dit btw-nadeel te compenseren zijn er reeds twee subsidieregelingen geïntroduceerd, één voor amateursportorganisaties en één voor gemeenten. De subsidieregelingen hebben wij eerder besproken in onze Indirect Tax Alert van 24 juli jongstleden (link).

Op Prinsjesdag is het wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van de sportvrijstelling bekend gemaakt. De diverse stukken zijn via de site van de Rijksoverheid te raadplegen. In deze Indirect Tax Alert bespreken wij het wetsvoorstel met de bijbehorende overgangsbepalingen en benoemen wij het belang voor de praktijk.

Het is belangrijk op te merken dat dit wetsvoorstel nog moet worden aangenomen alvorens de wet daadwerkelijk wordt aangepast. 

De gewijzigde sportvrijstelling

Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, geldt de sportvrijstelling met ingang van 1 januari 2019 voor diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen. Dit met uitzondering van:

  • Het verlenen van toegang tot wedstrijden, demonstraties, en dergelijke;
  • Het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken niet geschikt zijn voor sportbeoefening.

De sportvrijstelling geldt verder niet voor activiteiten die niet onontbeerlijk zijn voor de sportbeoefening of die er in hoofdzaak toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen, waarbij er sprake is van concurrentie met commerciële ondernemingen die niet onder de vrijstelling vallen.

In zijn algemeenheid geldt voorts dat de sportvrijstelling enkel zal gelden als de instelling geen winst beoogt, waarbij er nadere regels worden gesteld omtrent het begrip ‘winst beogen’ (zie hierna).

Het wetsvoorstel heeft (zoals verwacht) tot gevolg dat de toepassing van de sportvrijstelling substantieel wordt verruimd. Vanaf 1 januari 2019 geldt deze (onder de genoemde voorwaarden) immers ook voor sportprestaties die aan niet-leden worden verricht. Daarnaast geldt de sportvrijstelling vanaf 1 januari 2019 voor niet-commerciële exploitanten van sportaccommodaties.

Winst beogen

In het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken wordt uitgebreid ingegaan op het criterium ‘winst beogen’. De wetgever zoekt op dit punt aansluiting bij de Europese Btw-richtlijn. Of een instelling winst beoogt moet aan de hand van het statutaire doel en de omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Onder winst beogen wordt op basis van de voorgestelde wettekst mede het behalen van exploitatieoverschotten verstaan, tenzij de exploitatieoverschotten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de dienstverlening op het gebied van sport.

Aanvullende bepalingen winst beogen
De wetgever heeft in het wetsvoorstel aanvullende bepalingen ter zake van het criterium ‘winst beogen’ opgenomen. Deze aanvullende bepalingen zijn geïntroduceerd om een eenvoudige toepassing van de sportvrijstelling te bewerkstelligen en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Door de bepalingen moet worden voorkomen dat structuren worden geïntroduceerd die tot doel hebben om bewust buiten het bereik van de sportvrijstelling te blijven, zodat aftrekrecht wordt gecreëerd. Volgens de wetgever dienen ‘werkelijk’ commerciële activiteiten buiten de sportvrijstelling te blijven, maar moeten activiteiten van algemeen belang binnen het bereik van de sportvrijstelling vallen.

Op basis van de aanvullende bepalingen zal de sportvrijstelling ook van toepassing zijn indien de instelling die sportprestaties verricht een exploitatieoverschot behaalt doordat zij bijdragen ontvangt die geen vergoeding voor een dienst vormen (hierbij kan worden gedacht aan subsidies) of doordat de instelling een hogere vergoeding ontvangt dan de normale waarde van de dienstverlening, om zo een exploitatieoverschot te behalen. Hierbij is het van belang dat het exploitatieoverschot zonder deze bijdragen niet zou zijn behaald.

Daarnaast is in het wetsvoorstel voorgesteld dat de sportvrijstelling ook van toepassing is indien een publiekrechtelijk lichaam (bijvoorbeeld een gemeente) direct of indirect een (gedeelte van een) sportaccommodatie ter beschikking stelt en niet ten minste de integrale kosten in rekening brengt aan de instelling. Bij de doorberekening van de integrale kosten moeten alle relevante kosten in rekening worden gebracht zoals een normale onderneming dit ook zou doen.

Door deze aanvullende bepalingen zal het voor sportinstellingen die gelieerd zijn aan een publiekrechtelijk lichaam c.q. subsidies ontvangen lastig worden buiten het bereik van de sportvrijstelling te blijven. Het is sterk de vraag of deze aanvullende antimisbruikbepalingen Europeesrechtelijk door de beugel kunnen. Als het wetsvoorstel (ook) op dit punt wordt aangenomen, voorzien wij de nodige discussies in de praktijk.

Overgangsbepalingen

In het wetsvoorstel zijn enkele overgangsbepalingen opgenomen om te voorkomen dat instellingen btw-schade ondervinden van de wijziging van de sportvrijstelling.

Bij een koop/aannemingsovereenkomst ter zake van de bouw van een sportaccommodatie die is afgesloten voor 1 januari 2019, is het onder voorwaarden ook mogelijk om de btw op (bouw)kosten in aftrek te brengen na 1 januari 2019 ondanks dat het recht op aftrek van btw door de wijziging van de sportvrijstelling na 1 januari 2019 eigenlijk vervalt.

Verder heeft de wetgever in het voorstel opgenomen dat herziening van btw op investeringsgoederen achterwege kan blijven indien de wijziging van btw-belast gebruik naar btw-vrijgesteld gebruik louter voortvloeit uit de wijziging van de sportvrijstelling.

Deze overgangsbepalingen zijn ruim geformuleerd en hebben tot doel btw-schade als gevolg van de aanpassing van de sportvrijstelling te voorkomen. Dat is uiteraard goed nieuws. Desondanks zijn er ook situaties denkbaar waarbij het nog de vraag is of een beroep kan worden gedaan op de overgangsbepalingen. Zo is het op basis van het wetsvoorstel niet duidelijk of herziening enkel achterwege blijft bij directe schade of ook bij indirecte schade als gevolg van de verruiming van de sportvrijstelling. Wij denken dan bijvoorbeeld aan een gemeente die straks niet langer kan opteren voor de btw-belaste verhuur van een sportaccommodatie, doordat de huurder van de sportaccommodatie onder het bereik van de sportvrijstelling valt. De gemeente wordt dan normaal gesproken geconfronteerd met de herziening. Deze herziening is naar onze mening direct het gevolg van het wijzigen van de sportvrijstelling, hoewel de gemeente zelf niet onder de sportvrijstelling gaat vallen. Naar onze opvatting zou herziening ook in deze situatie achterwege moeten blijven. In de toelichting wordt niet op deze situatie ingegaan.

Belang voor de praktijk

Hoewel er nog op veel punten onduidelijkheid is, is het duidelijk dat de aanpassing van de sportvrijstelling de nodige impact zal hebben voor gemeenten en andere organisaties die actief zijn op het gebied van de sportbeoefening.

Eind oktober en begin november organiseren wij verspreid door het land themabijeenkomsten waarin wij dit onderwerp verder uitdiepen. Ook staan we tijdens deze bijeenkomsten stil bij de subsidieregelingen en bespreken we veel gestelde vragen vanuit de praktijk. U kunt zich nog aanmelden voor deze bijeenkomsten, waaraan u kosteloos kunt deelnemen.

Vond u dit nuttig?