Vraag tijdig btw terug op oninbare vorderingen! | Deloitte

Article

Vraag tijdig btw terug op oninbare vorderingen!

Met het aannemen van de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 heeft de wetgever per 1 januari 2017 enkele wijzigingen doorgevoerd voor de btw-behandeling van oninbare vorderingen.

29 november 2017

Uitgangspunt onder de nieuwe wetgeving is nog steeds dat recht op teruggaaf van btw bestaat bij gehele of gedeeltelijke niet-betaling van een vordering op het tijdstip waarop de oninbaarheid van de vordering kan worden vastgesteld. Een essentiële wijziging is echter dat vanaf 2017 een fictie is opgenomen op grond waarvan het recht op teruggaaf ontstaat uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.

In 2016 opeisbare vorderingen

Op basis van het overgangsrecht bij de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 wordt voor vorderingen die opeisbaar zijn geworden in 2016 de termijn van één jaar geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2017. Dit brengt met zich dat voor deze vorderingen btw-teruggaaf kan worden verkregen op 1 januari 2018, tenzij al eerder duidelijk is geworden dat de vordering niet wordt betaald. Het bedrag van de teruggaaf moet onder de nieuwe regeling in mindering worden gebracht op de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Teruggaaf voor oninbare vorderingen die opeisbaar zijn geworden in 2016 moet daarom worden verwerkt in de eerste btw-aangifte van 2018.

Latere betaling

Indien later alsnog sprake is van een (gedeeltelijke) betaling van de oninbaar geachte vordering zal de ondernemer, anders dan onder de oude regeling, de teruggevraagde btw op deze gedeeltelijke betaling weer verschuldigd worden. Wanneer u de btw heeft teruggevraagd op een oninbare vordering vanwege het verstrijken van de één-jaarstermijn, maar nog niet vaststaat dat geheel niet zal wordt betaald, is het van belang dat u aantekening maakt van de teruggevraagde btw in de administratie en vastlegt dat wanneer alsnog sprake is van een betaling van de teruggevraagde btw, u deze btw weer afdraagt aan de fiscus.

Niet betaalde schulden

Als tegenhanger van de één-jaarstermijn bij teruggaaf, is overigens voor de niet-betalende afnemer opgenomen dat hij de afgetrokken doch niet betaalde btw in ieder geval verschuldigd wordt één jaar na het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoeding. Betaalt hij daarna alsnog, dan krijgt hij opnieuw recht op aftrek. Ook dit kan plaatsvinden via de reguliere btw-aangifte. Voor niet betaalde schulden die opeisbaar zijn geworden in 2016 geldt geen overgangsregeling. Deze btw moet in 2017 worden voldaan, in het tijdvak waarin de één-jaarstermijn verloopt.

Tot slot

Houd er rekening mee dat op grond van het overgangsrecht de teruggaaf voor oninbare vorderingen die opeisbaar zijn geworden in 2016 verwerkt moet worden in de eerste btw-aangifte van 2018.

Vond u dit nuttig?