Vrijwillige vertrekregeling is niet zonder meer verkapt vroegpensioen

Article

Vrijwillige vertrekregeling is niet zonder meer verkapt vroegpensioen

Hof Den Bosch heeft eind vorig jaar geoordeeld dat een vrijwillige vertrek- of plaatsmakersregeling in een sociaal plan niet zonder meer een regeling voor vervroegde uittreding is als 55+’ers van deze regeling gebruik maken.

31 januari 2017

Reorganisatie

Belanghebbende kondigde in 2013 een reorganisatie aan, waardoor arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. In het sociaal plan zijn boventallige werknemers aangewezen volgens het zogenoemde afspiegelingsbeginsel. Het sociaal plan bevatte ook een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling. De inspecteur is van mening dat hier sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: RVU), omdat ook 55+’ers van de in het sociaal plan voorziene regeling gebruik hebben gemaakt.


Uitspraak Hof Den Bosch

Het Hof volgt in deze uitspraak een vorig jaar door de Hoge Raad gewezen arrest, waarin werd geoordeeld over de vraag wanneer sprake is van een RVU. De Hoge Raad stelde dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een RVU niet het doel en de intentie van de regeling van belang zijn, maar de feitelijke uitwerking van de doelstelling in de regeling. Naar het oordeel van het Hof is de doelstelling van de regeling van belanghebbende - in lijn met het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad - niet relevant, maar moet (uitsluitend) de regeling zelf worden getoetst. Het Hof herhaalt dat bij de vraag of sprake is van een RVU de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling leidend zijn om te bepalen of de uitkeringen en verstrekkingen in het algemeen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum.

In deze casus kon de vrijwillige vertrekregeling volgens het Hof niet als RVU worden aangemerkt, onder meer omdat:

  • de regeling deel uitmaakt van een samenhangend pakket aan maatregelen om de boventalligheid af te bouwen;
  • ook louter op basis van het afspiegelingsbeginsel reeds een significant hoog aantal werknemers in het leeftijdscohort 55-64 zou afvloeien;
  • de regeling openstaat voor alle werknemers, ongeacht hun leeftijd;
  • de regeling niet bepaalt dat de betreffende werknemer na beëindiging van het dienstverband geen andere werkzaamheden mag verrichten, of dat inkomsten uit andere werkzaamheden in mindering komen op de uitkering.

De werkgever is dan ook geen zogenoemde pseudo-eindheffing van 52% verschuldigd over de gedane uitkeringen of verstrekkingen. 


Cassatie

Hierbij merken wij nog wel op dat de Staatssecretaris van Financiën inmiddels, zij het pro forma, cassatie heeft ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Gezien de uitgebreide en goede motivering van het Hof achten wij de kans echter reëel dat de Hoge Raad de uitspraak van het Hof in stand laat.


Mogelijkheden

Als werkgever kunt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van uw standpunten in een geschil met de Belastingdienst over een reorganisatie op basis van een sociaal plan dat ook een vrijwillige vertrekregeling kent, met dien verstande dat de Hoge Raad zich nog over deze zaak moet buigen.


Bron: Hof Den Bosch 18 november 2016, 15/00586, ECLI:NL:GHSHE:2016:5158

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen