Titel - Title

Article

Wel btw-koepelvrijstelling voor financiële en verzekeringssector volgens Advocaat-generaal

Op 5 april 2017 heeft Advocaat-Generaal Wathelet (“de A-G”) van het Hof van Justitie Europese Unie (“HvJ”) zijn conclusie genomen in de zaak Commissie / Duitsland (C-616/15). De A-G concludeert dat Duitsland de koepelvrijstelling voor samenwerkende groeperingen te beperkt toepast door deze slechts van toepassing te verklaren op een enkele beroepsgroep (medische beroepsbeoefenaren en ziekenhuizen). De koepelvrijstelling kan volgens de A-G ook van toepassing zijn op de banken- en verzekeringssector. Hiermee lijkt de A-G in zijn conclusie lijnrecht tegenover de conclusies van A-G Kokott in de zaken DNB Banka (C-326/15) en Aviva (C-605/15) te staan.

6 april 2017

English version

Koepelvrijstelling

Lidstaten van de Europese Unie zijn op grond van de Btw-richtlijn verplicht om onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling te verlenen voor diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden. De leden moeten vrijgestelde prestaties verrichten of activiteiten verrichten waarvoor zij geen belastingplichtige zijn. Tevens moeten de prestaties verricht door de zelfstandige groepering direct nodig zijn voor de vrijgestelde prestaties, dan wel niet-belastbare activiteiten van de leden. Tot slot mag de groepering aan de leden slechts terugbetaling vragen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven en mag toepassing van de vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging leiden.

In het verleden heeft het HvJ zich driemaal eerder gebogen over de koepelvrijstelling en de toepassingsvoorwaarden ervan. Momenteel zijn er naast de onderhavige zaak nóg drie zaken aanhangig bij het HvJ die betrekking hebben op de verschillende voorwaarden van de koepelvrijstelling. Dit betreft de zaken Commissie / Luxemburg (C-274/15), de Letse zaak DNB Banka (C-326/15) en de Poolse zaak Aviva (C-605/15).


De zaak Commissie/Duitsland

De Europese Commissie heeft al vanaf 2009 correspondentie gevoerd met Duitsland, omdat zij van mening is dat de Duitse btw-wetgeving met betrekking tot de koepelvrijstelling onverenigbaar is met de Btw-richtlijn. Op grond van de Duitse regeling wordt de toepassing van de koepelvrijstelling beperkt tot bepaalde, specifiek genoemde beroepsgroepen. De vrijstelling waarin het Duitse recht inzake de omzetbelasting voorziet, geldt enkel voor groeperingen waarvan de leden artsen of beoefenaren van paramedische beroepen zijn dan wel ziekenhuizen of daarmee vergelijkbare instellingen. Naar de mening van de Europese Commissie kunnen noch de bewoordingen, noch het doel, noch de ontstaansgeschiedenis van de koepelvrijstelling een dergelijke beperking van de btw-vrijstelling tot bepaalde beroepsgroepen rechtvaardigen. De vrijstelling dient juist te worden verleend aan groeperingen van alle beroepsgroepen, op voorwaarde dat de leden daarvan btw-vrijgestelde activiteiten uitoefenen.

De beperking in de Duitse btw-wetgeving wordt volgens de Europese Commissie evenmin gerechtvaardigd door een eventuele algemene verstoring van de mededinging. De vraag of de toepassing van de belastingvrijstelling al dan niet leidt tot een verstoring van de mededinging, kan en moet immers uitsluitend worden beantwoord op basis van de omstandigheden van het individuele geval. Het is onmogelijk in algemene zin vast te stellen dat sprake is van verstoring van de mededinging voor diensten van bepaalde beroepsgroepen.

Aangezien de Duitse btw-wetgeving inzake de koepelvrijstelling naar aanleiding van deze correspondentie niet is gewijzigd, heeft de Europese Commissie besloten de zaak aanhangig te maken bij het HvJ.


Conclusie A-G Wathelet

De voornaamste punten van A-G Wathelet in zijn conclusie in deze inbreukprocedure zijn:

  • De toepassing van de koepelvrijstelling kan niet worden beperkt tot bepaalde activiteiten van algemeen belang. De vrijstelling kan niet slechts van toepassing zijn op de gezondheidssector maar is wel degelijk ook van toepassing op de banken- en verzekeringssector;
  • Het doel van de koepelvrijstelling bestaat erin dienstverrichtingen ten behoeve van personen die zelf zijn vrijgesteld of niet belastingplichtig zijn, van belastingheffing vrij te stellen. Dit doel rechtvaardigt dat de koepelvrijstelling wordt verleend aan alle samenwerkende groeperingen waarvan de leden een activiteit uitoefenen die van btw is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, inclusief de samenwerkende groeperingen op het gebied van banken en verzekeringen;
  • De vraag of sprake is van een risico op verstoring van mededinging door de toepassing van de koepelvrijstelling kan alleen worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van elk afzonderlijk geval. Alleen op basis van een onderzoek van elk geval afzonderlijk kan immers worden vastgesteld of er een reëel gevaar bestaat dat de vrijstelling op zich op korte termijn of in de toekomst tot concurrentievervalsing kan leiden.

Opvallend is dat A-G Wathelet met zijn conclusie lijnrecht tegenover de conclusies van A-G Kokott van 1 maart 2017 in de Letse zaak DNB Banka (C-326/15) en de Poolse zaak Aviva (C-605/15) lijkt te staan. In deze conclusies stelt A-G Kokott zich op het standpunt dat de koepelvrijstelling slechts van toepassing is op bepaalde activiteiten van algemeen belang en niet van toepassing is op diensten van een koepel verricht aan ondernemingen welke vrijgestelde financiële en/of verzekeringsdiensten verrichten.


Gevolgen voor de praktijk

De conclusie van de A-G is een advies aan het HvJ. Het HvJ zal nog arrest moeten wijzen in de deze zaak, maar ook in de andere zaken waarin A-G Kokott een andere mening lijkt te zijn toegedaan.

De conclusie van A-G Wathelet is in lijn met de huidige zienswijze in Nederland dat de koepelvrijstelling niet tot een bepaalde sector wordt beperkt. Indien het HvJ het advies van A-G Wathelet zal volgen, zal dit derhalve geen gevolgen hebben voor het toepassingsbereik van de koepelvrijstelling in de verzekerings- en financiële sector nu door hen verrichte diensten volgens de A-G onder de werking vallen van de vrijstelling. Wel benadrukken wij op dat in deze zaak enkel gekeken wordt naar de koepelvrijstelling binnen de grenzen. A-G Wathelet merkt niets op over een mogelijke grensoverschrijdende werking van de koepelvrijstelling.

Onder de Nederlandse koepelvrijstelling worden bepaalde diensten als ‘concurrentieverstorend’ aangewezen en derhalve uitgesloten van het toepassingsbereik van de koepelvrijstelling. De wijze waarop Nederland de koepelvrijstelling in de nationale wetgeving heeft opgenomen lijkt mogelijk in strijd met de Btw-richtlijn wat tot gevolg kan hebben dat de Nederlandse koepelvrijstelling verruimd dient te worden als het Hof van Justitie A-G Wathelet volgt. Op dit punt zijn beide A-G’s het overigens met elkaar eens.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen