Wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2023 ingediend bij Tweede Kamer | Deloitte Nederland

Article

Wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2023 ingediend bij Tweede Kamer

De Fiscale verzamelwet 2023 bevat zowel technische als inhoudelijke wijzigingen. Zo mag de inspecteur belastingrente verminderen voor zover belasting in het rentetijdvak reeds is geheven. De betalingskorting op voorlopige aanslagen Vpb wordt daarentegen afgeschaft.

13 juni 2022

De Staatssecretaris van Financiën heeft eind mei 2022 het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2023 bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel bevat naast technische aanpassingen, ook de nodige interessante inhoudelijke voorstellen. Hieronder hebben wij een korte samenvatting opgenomen.

Betalingskorting vennootschapsbelasting

Al eerder was aangekondigd dat betalingskorting op voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting die invorderbaar zijn in meer dan één termijn zou worden afgeschaft. Per 1 januari 2023 wordt de daad bij het woord gevoegd. Kort gezegd gaat het daarbij om voorlopige aanslagen die gedurende het lopende boekjaar van de belastingplichtige worden opgelegd. De korting is destijds ingevoerd om administratieve lasten te beperken. Tegenwoordig is betaling in termijnen administratief minder bezwaarlijk. Toch heeft de afschaffing vooral een budgettaire achtergrond. Belastingplichtigen met een voorlopige aanslag inkomstenbelasting die in termijnen mag worden betaald, kunnen wel gebruik blijven maken van de betalingskorting.

Dividendbelasting

Kapitaalverstrekkingen als bedoeld in art. 10, lid 1, onderdeel c, Wet Vpb 1969 worden toegevoegd aan de grondslag waarover dividendbelasting verschuldigd is. Tevens wordt de reikwijdte van de anti-dividendstrippingmaategel (art. 4, lid 7, Wet DB 1965) verduidelijkt door de term rechtspersoon te vervangen door de term ‘lichaam’. Dit om te voorkomen dat transparante lichamen zonder rechtspersoonlijkheid buiten het bereik van deze bepaling zouden kunnen blijven. Verder kunnen na inwerkingtreding ook andere rechtspersonen dan nv’s en bv’s het gestorte kapitaal bij voor bezwaar vatbare beschikking laten vaststellen door de inspecteur, bijvoorbeeld houdstercoöperaties (art. 13 Wet DB 1965).

Maatwerk belastingrente

Uit een in 2018 verrichtte evaluatie van de belastingrenteregeling bleek nog dat het kabinet niet van plan was om de systematiek van het in rekening brengen van belastingrente bij (herziening van) voorlopige aanslagen te wijzigen. Volgens de staatssecretaris van Financiën strookte de regeling met de verzuimgedachte. Bovendien zou aanpassing van de regeling grote uitvoeringsgevolgen voor de belastingdienst hebben. Ook verschillende rechterlijke uitspraken waarbij in rekening gebrachte belastingrente werd verminderd op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, konden het kabinet niet op andere gedachten brengen.

Inmiddels heeft echter toch een koerswijziging plaatsgevonden. De Fiscale verzamelwet 2023 voorziet namelijk in een bepaling die de inspecteur een wettelijke bevoegdheid geeft om in rekening gebrachte belastingrente naar evenredigheid te verminderen, voor zover blijkt dat de verschuldigde belasting gedurende het rentetijdvak reeds is geheven c.q. op aangifte is voldaan of afgedragen. Voorbeelden die worden genoemd zijn de vermindering van een voorlopige aanslag gevolgd door een hogere (voorlopige) aanslag en herstel van foutieve achterwaartse verliesverrekening. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen worden aangewezen waarin de belasting geacht wordt te zijn geheven. In de toelichting wordt als voorbeeld de situatie genoemd waarin het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting aan een belastingplichtige direct samenhangt met de vermindering van een aanslag van de fiscale partner. In zo’n geval is sprake van ‘communicerende vaten’. De regeling is echter niet bedoeld om belastingrente te matigen die betrekking heeft op de betalingstermijn van een belastingaanslag.

Hoewel in de toelichting bij het wetsvoorstel wordt aangegeven dat de inspecteur waar mogelijk uit eigen beweging tot vermindering zal overgaan, geeft de staatssecretaris toe dat daarvoor vaak toch een verzoek van de belastingplichtige nodig zal zijn. Er wordt nadrukkelijk een beroep gedaan op het ‘doenvermogen’ van belastingplichtigen. Indien de Tweede en Eerste Kamer akkoord gaan, wordt de regeling van toepassing op alle belastingaanslagen die bij de inwerkingtreding van de wet nog niet onherroepelijk vaststaan. Vanwege uitvoeringstechnische problemen geldt een uitzondering voor de loon- en omzetbelasting. Die belastingen zullen in een later stadium worden toegevoegd.

Verder wordt het tijdvak waarover belastingrente in rekening wordt gebracht beperkt tot tien weken ingeval een naheffingsaanslag wordt vastgesteld conform een verzoek van de belastingplichtige. Ook hier geldt voorlopig een uitzondering, maar dan alleen voor de omzetbelasting.

Verbetering rechtsbescherming

Vanaf 1 januari 2023 worden alle voor bezwaar vatbare beschikkingen die in een aanslagbiljet zijn opgenomen voor de toepassing van de wettelijke bepalingen over bezwaar en beroep geacht deel uit te maken van die belastingaanslag. Dit betekent dat een bezwaarschrift tegen een aanslag automatisch mede wordt aangemerkt als een bezwaar tegen de in het aanslagbiljet opgenomen voor bezwaar vatbare beschikkingen (belastingrente, boetes, verliesvaststelling etc.) en vice versa. Deze wetswijziging geldt alleen voor rijksbelastingen en niet voor andere belastingen waarop de regels van de AWR van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

Verder dient de afwijzing van een verzoek om een onderling overleg procedure op te starten met een verdragspartner voortaan in een voor bezwaar vatbare beschikking te worden neergelegd. Het gaat daarbij om situaties waarin dubbele belastingheffing dreigt op te treden, of anderszins sprake is van belastingheffing in strijd met het verdrag. Het doel van de wijziging is om de rechtsbescherming tegen een dergelijke beslissing onder te brengen bij de fiscale rechter.

Uitstelfaciliteit schrijnende gevallen

In de Invorderingswet 1990 wordt geregeld dat renteloos uitstel van betaling kan worden verleend voor een periode van ten minste vijf jaar aan natuurlijke personen voor wie het binnen de reguliere betalingstermijn moeten voldoen van een belastingschuld tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. De criteria voor toepassing van deze uitstelfaciliteit zullen bij ministeriële regeling worden uitgewerkt.


Bron: Kamerstukken II 2021-2022, 36 107, nr. 2 (voorstel van wet) en nr. 3 (memorie van toelichting)

Did you find this useful?