Wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid | Deloitte Nederland

Article

Wetsvoorstel spoedreparatie fiscale eenheid

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gezonden dat voorziet in de aanpassing van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting aan de zogenoemde ‘per element’-rechtspraak.

6 juni 2018

Wetsvoorstel met terugwerkende kracht

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft op woensdag 6 juni 2018 het wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetvoorstel voorziet in aanpassing van de regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting aan de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de ‘per element’-benadering. Het betreft de codificatie van de reeds op 25 oktober 2017 aangekondigde spoedreparatiemaatregelen naar aanleiding van de conclusie van de A-G van het HvJ in de zaak X&X. In het arrest van 22 februari 2018 heeft het HvJ de conclusie van de A-G gevolgd. In essentie oordeelde het HvJ dat het Nederlandse fiscale eenheidsregime op bepaalde punten in strijd is met het EU-recht. Het nu ingediende wetsvoorstel is op hoofdlijnen in overeenstemming met de reeds aangekondigde spoedreparatiemaatregelen. Nadat de Tweede en Eerste Kamer hebben ingestemd met het wetsvoorstel zullen de meeste aanpassingen in het fiscale eenheidsregime met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 11:00 uur in werking treden.

Inhoud wetsvoorstel

De strijdigheid die volgens het HvJ bestaat ziet specifiek op een aantal wettelijke regelingen (‘de elementen’) die in puur binnenlandse situaties gunstiger uitwerken voor de belastingplichtige dan in grensoverschrijdende situaties. Belastingplichtigen kunnen in binnenlandse situaties namelijk een fiscale eenheid aangaan, waardoor deze regelingen buiten toepassing blijven. Het HvJ acht de bevoordeling van binnenlandse situaties in strijd met de vrijheid van vestiging en stelt dat Nederland deze voordelen in vergelijkbare grensoverschrijdende situaties ook zou moeten toekennen. Dat betekent dat de grensoverschrijdende situatie ook van de elementen moet kunnen profiteren en niet dat het fiscale eenheidsregime als zodanig tot grensoverschrijdende gevallen moet worden uitgebreid. Het kabinet acht het toekennen van deze voordelen in grensoverschrijdende situaties echter geen reële optie, en heeft ervoor gekozen om binnenlandse situaties juist strenger te behandelen teneinde strijd met EU-recht weg te nemen. Door de voordelen binnen fiscale eenheid niet langer in binnenlandse situaties toe te staan is er immers geen sprake meer van een verschil in behandeling tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties.

Op basis van het wetsvoorstel moet voor de toepassing van de volgende wettelijke regelingen worden gedaan alsof de fiscale eenheid niet bestaat: art. 10a (renteaftrekbeperking), art. 13 (lid 9 tot en met 15 en lid 17; deelnemingsvrijstelling), art. 13a (herwaarderingsplicht niet-kwalificerende beleggingsdeelneming), art. 13l (renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente) en art. 20a (beperking van verliesverrekening bij wijziging van het uiteindelijk belang) Wet VpB 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965. Dit leidt ertoe dat belastingplichtigen in binnenlandse situaties even ‘ongunstig’ worden behandeld als in grensoverschrijdende situaties.

Het voorgaande betekent onder meer dat een evenredig deel van de rente die toerekenbaar is aan de periode 25 oktober tot en met 31 december 2017 in aftrek kan worden beperkt op grond van art. 10a of art. 13l Wet VpB 1969.

Overgangsmaatregel art. 10a Wet VpB 1969

Het wetsvoorstel voorziet in een overgangsmaatregel voor de toepassing van art. 10a Wet VpB 1969 als tegemoetkoming voor het MKB. Deze wettelijke bepaling bewerkstelligt dat rente op een intra-groepslening niet aftrekbaar is als deze verband houdt met een verboden transactie, zoals een dividenduitkering of kapitaalstorting. Omdat binnen fiscale eenheid deze besmette transactie niet wordt gezien blijft de betaalde rente ook volledig aftrekbaar. Door de reparatiewetgeving, en met name door de terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017, zou moeten worden bepaald welk deel van de rente toerekenbaar is aan de periode voor en na dat moment. Door de overgangsbepaling vinden de spoedreparatiemaatregelen ten aanzien van art. 10a Wet VpB 1969 tot en met 31 december 2018 onder voorwaarden echter geen toepassing. Om van deze tegemoetkoming gebruik te kunnen maken moet sprake zijn van vóór de aankondiging van de spoedreparatiemaatregelen bestaande schulden, waarbij reeds aan alle voorwaarden voor toepassing van art. 10a Wet VpB 1969 was voldaan. Verder mag het totale bedrag aan de renten op deze schulden per twaalf maanden de € 100.000 niet te boven gaan. Voor belastingplichtigen met een hoger bedrag aan renten geldt geen tegemoetkoming, dus ook niet voor de eerste € 100.000 aan rente. Om misbruik te voorkomen is de overgangsmaatregel niet van toepassing indien de inspecteur aannemelijk maakt dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Voor de andere wettelijke regelingen die worden getroffen door de spoedreparatiemaatregelen geldt geen overgangsregime.

Overige bijzonderheden

Het wetsvoorstel voorziet ook in een aanpassing van art. 13a Wet VpB 1969 (herwaarderingsplicht niet-kwalificerende beleggingsdeelneming). Voor de toepassing van deze regeling moet de fiscale eenheid eveneens worden weggedacht. Omdat deze regeling nog niet was opgenomen in de aankondiging van de spoedreparatiemaatregelen op 25 oktober 2017, treedt de wijziging pas in werking per 1 januari 2019 en wordt geen terugwerkende kracht toegepast.

Voor de volledigheid merken wij op dat in het wetsvoorstel tevens een omissie is hersteld met betrekking tot het effectieve tarief van de innovatiebox. Met ingang van 1 januari 2017 is de innovatiebox aangepast op grond van internationale afspraken, waarbij is gekozen voor een overgangsregime. Vervolgens is het effectieve tarief van de innovatiebox per 1 januari 2018 verhoogd van 5% naar 7%. Hierbij is echter abusievelijk het overgangsrecht niet aangepast. In het wetsvoorstel wordt deze omissie met terugwerkende kracht tot 1 maart 2018 hersteld. Zoals gezegd heeft dit verder niets te maken met de aanpassing van het fiscale eenheidsregime.

Vond u dit nuttig?