Wijziging sectorindeling met terugwerkende kracht alsnog mogelijk | Deloitte Nederland

Article

Wijziging sectorindeling met terugwerkende kracht alsnog mogelijk

Met ingang van 29 juni 2018 is het op grond van de Wfsv slechts mogelijk om de sectorindeling te wijzigen naar de toekomst, en niet langer met terugwerkende kracht. Volgens de Hoge Raad komt deze wetswijziging echter in strijd met art. 1 EP EVRM.

8 oktober 2021

Toepassing terugwerkende kracht sinds 29 juni 2018

Alle werkgevers in Nederland worden voor de premieheffing WW van rechtswege ingedeeld in een sector op basis van de activiteiten die ze verrichtten en hun maatschappelijke functie. Daarbij gold tot 29 juni 2018 dat een wijziging van de sectorindeling op verzoek van een werkgever mogelijk was met terugwerkende kracht tot maximaal vijf jaar. Als gevolg hiervan werden teveel betaalde premies over die jaren teruggegeven.

Met de aanpassing van artikel 97, lid 2 Wfsv, welke met terugwerkende kracht tot 29 juni 2018 is ingevoerd, is dit echter niet langer het geval. Vanaf die datum kan een wijziging van sectorindeling op verzoek van de werkgever alleen nog naar de toekomst plaatsvinden. Dit betekent dat verzoeken om een wijziging in de sectorindeling met terugwerkende kracht voorbij 29 juni 2018 door de Belastingdienst worden afgewezen. Stelt de inspecteur daarentegen vast dat de werkgever is bevoordeeld door een onjuiste sectorindeling en die tekortkoming is aan de werkgever toe te rekenen, of had een onjuiste sectorindeling de werkgever redelijkerwijs kenbaar kunnen zijn, dan gaat de Belastingdienst wel over tot wijziging met terugwerkende kracht.

In strijd met het eigendomsrecht?

De Hoge Raad heeft zich onlangs uitgesproken over de wijziging van artikel 97, lid 2, Wfsv, op grond waarvan een verzoek tot herindeling van de sector met terugwerkende kracht niet meer mogelijk is. In onderhavige zaak stelde de werkgever dat deze wetswijziging in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Eerder werd het beroep van belanghebbende door het Hof ongegrond verklaard. Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een onrechtvaardigde schending van het eigendomsrecht. De verwachting van de wetgever dat veel werkgevers alsnog zouden overgaan tot het indienen van een verzoek om herindeling, en het daarmee samenhangende risico van capaciteitsgebrek bij de Belastingdienst, vormde voor het Hof voldoende aanleiding om het beroep ongegrond te verklaren. Dat hiermee de betrokken werkgever geen recht meer heeft op de ten onrechte betaalde premies komt naar het oordeel van het Hof voor rekening van de werkgever, aangezien hij een verzoek tot herindeling niet op een eerder tijdstip heeft ingediend.

Geen rechtvaardiging

De Hoge Raad oordeelt echter anders. Hij stelt eerst vast dat werkgevers tot 29 juni 2018 de gerechtvaardigde verwachting hadden dat te veel betaalde premies zouden worden terugbetaald door de Belastingdienst. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat deze gerechtvaardigde verwachting een bezitting vormt als bedoeld in art. 1 EP EVRM. De enkele omstandigheid dat die bezitting door de wijziging van art. 97, lid 2 Wfsv met terugwerkende kracht tot 29 juni 2018 is ontnomen, rechtvaardigt op zichzelf bezien nog niet de conclusie dat art. 1 EP EVRM is geschonden. Maar in dit geval ontbreken dwingende redenen voor het aantasten van die gerechtvaardigde verwachtingen.

Uit het systeem van de wet vloeit voort dat een sectorindeling van rechtswege plaatsvindt op basis van de werkzaamheden die de werkgever verricht. Dit brengt mee dat een onjuiste sectorindeling zoveel mogelijk moet worden hersteld en dat de gevolgen van die onjuiste indeling zo veel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Daarom kan de zorg van de wetgever dat veel werkgevers door de aankondiging van de wetwijziging alsnog om herindeling zouden gaan verzoeken, en de mogelijk daarmee gepaard gaande capaciteitsproblematiek, niet als rechtvaardiging voor de aantasting van het eigendomsrecht dienen. Dat een werkgever op de hoogte kon zijn van de onjuiste sectorindeling en reeds eerder een verzoek tot herziening had kunnen indienen, doet hieraan geen afbreuk.


Bron: HR 24-09-2021, ECLI:NL:HR:2021:1239

Did you find this useful?