Zwevend vermogen wordt toegerekend aan erfgenaam | Deloitte Nederland

Article

Zwevend vermogen wordt toegerekend aan erfgenaam

Een recent arrest van de Hoge Raad biedt inzicht in de fiscale behandeling van zwevend vermogen in een Liechtensteinse stichting als dit vermogen na overlijden van de inbrenger aan de erfgenamen wordt toegerekend.

8 april 2021

Zwevend vermogen

Particulieren kunnen ervoor kiezen om hun vermogen door middel van een trust of particuliere stichting te beheren. Redenen hiervoor zijn onder meer het afschermen van het vermogen van bijvoorbeeld privé-crediteuren en het gefaseerd overdragen van het vermogen aan de volgende generatie. Bij het inbrengen wordt er afstand gedaan van het vermogen in privé om dit later via de trust uit te keren aan aangewezen begunstigen. Een bestuur beheert het vermogen en beslist over deze uitkeringen. Zulk vermogen wordt ook wel ‘zwevend vermogen’ of afgezonderd particulier vermogen (APV) genoemd, omdat het tot niemands privévermogen behoort. Dit zwevende vermogen kon voor belastingdoeleinden niet tot iemands heffingsgrondslag gerekend worden en derhalve ontstond er een heffingslek. Om dat te voorkomen geldt voor de inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting het zogenoemde APV-regime. Hierdoor wordt zwevend vermogen toegerekend aan de inbrenger, en na zijn overlijden aan zijn erfgenamen. Een recente uitspraak van de Hoge Raad biedt inzicht in mogelijke fiscale gevolgen van het APV-regime.

Vermogen in Stiftung

In casu heeft de vader van belanghebbende vermogen ondergebracht in een stichting opgericht naar Liechtensteins recht (een Stiftung). Belanghebbende is onder meer begunstigde van de Stiftung en ontvangt uitkeringen uit het vermogen. Wanneer de vader overlijdt, rekent de inspecteur op basis van het APV-regime het vermogen van de Stiftung toe aan de erfgenamen van vader. Daardoor wordt dit vermogen bij hen belast in de inkomstenbelasting. Dit geldt ook voor belanghebbende. In geschil is of het APV-regime toegepast mag worden. Het Hof stelde de inspecteur in het gelijk.

Toepassing APV-regime

In cassatie stelt belanghebbende allereerst dat het APV-regime geen toepassing vindt omdat het vermogen van de Stiftung niet-discretionair is. Op basis van een eerdere uitspraak van de Hoge Raad valt dat dan buiten het APV-regime. Niet-discretionair vermogen houdt in dat de begunstigden concrete, juridisch afdwingbare rechten op het vermogen hebben, zodat het vermogen niet zwevend is. De Hoge Raad oordeelt dat hier in casu geen sprake van is. Hierbij is vooral van belang dat het bestuur van de Stiftung besluit welke begunstigde op welk moment een bepaald bedrag uitgekeerd krijgt. Een begunstigde heeft dus geen afdwingbaar recht om op een bepaald moment een deel van het vermogen te ontvangen.

Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat het APV-regime in strijd is met het recht op eigendom. Hij wordt namelijk belast voor vermogen waarover hij niet kan beschikken en het is onzeker hoeveel daarvan uiteindelijk aan hem wordt uitgekeerd. Het Hof en A-G Niessen oordeelden eerder dat het APV-regime past binnen het systeem van de Nederlandse inkomstenbelasting wegens het forfaitaire element, het regime een duidelijk doel heeft omtrent het tegengaan van belastingontwijking en er voldoende tegenbewijsmogelijkheden zijn. De Hoge Raad gaat niet uitgebreid in op deze principiële kwestie. Hij overweegt alleen dat de de tegenbewijsregeling in het APV-regime niet problematisch is.


Bron: HR 26 maart 2021, 19/03671, ECLI:NL:HR:2021:367

 

Did you find this useful?