Belastingplan 2023 - Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Article

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Belastingplan 2023 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2023 met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting.

24 november 2022

Inkomensbeleid

Door de hoge inflatie, in het bijzonder door de sterk gestegen energieprijzen, voelt het kabinet zich genoodzaakt huishoudens te steunen in de koopkrachtdaling die zich daardoor voordoet. Voor de meest kwetsbare huishoudens wordt onder andere verhoging van de zorg- en huurtoeslag voorgesteld en verhoging van het minimumloon met 10%. Fiscaal worden de belastingen op energie en brandstof verlaagd, terwijl werken aantrekkelijker wordt gemaakt door de lasten op arbeid zowel voor werknemers als werkgevers te verlagen. Concreet wordt de maximale arbeidskorting verhoogd van € 4.260 naar € 5.052 en het basistarief verlaagd van 37,07% naar 36,93%. Ter compensatie wordt de schijfgrens in box 1 (na inflatiecorrectie) verlaagd en het afbouwpercentage van de arbeidskorting verhoogd. Door deze laatste maatregel neemt de marginale druk voor middeninkomens fors toe.

De nieuwe tarieven en heffingskortingen staan in onderstaande tabel:

Schijfgrenzen 2022 2023
Einde eerste schijf (geboren na 1 januari 1946) € 35.472 € 37.149
Einde eerste schijf (geboren vóór 1 januari 1946) € 36.409 € 38.703
Einde tweede schijf  € 69.398 € 73.031

 

Gecombineerde tarieven IB/PVV 2022 2023
Tarief eerste schijf (onder AOW-leeftijd) 37,07% 36,93%
Tarief eerste schijf 19,17% 19,03%
Tarief tweede schijf 37,07% 36,93%
Tarief derde schijf 49,50% 49,50%

 

Heffingskortingen Stand 2022 Stand 2023
Maximum algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)  € 2.888 € 3.070
Maximum algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd) € 1.494 € 1.583
Afbouwpunt algemene heffingskorting  € 21.317 € 22.660
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd) 6,007% 6,095%
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd) 3,106% 3,141%
Maximum arbeidskorting € 4.260 €  5.052
Afbouwpunt € 36.649 € 37.626
Afbouwpercentage arbeidskorting 5,86% 6,51%

 

Webcast Belastingplan

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Eddo Hageman bespraken het nieuwe Belastingplan.

Bekijk

Afbouw algemene heffingskorting met verzamelinkomen

De algemene heffingskorting is een korting op de inkomstenbelasting waar iedere belastingplichtige recht op heeft. De hoogte van de algemene heffingskorting neemt af naarmate het inkomen van de belastingplichtige stijgt. Het kabinet stelt voor om vanaf 2025 de afbouw van de heffingskorting niet langer af te laten hangen van de hoogte van alleen het inkomen uit werk en woning (box 1), maar te baseren op de hoogte van het gehele verzamelinkomen (box 1, box 2 en box 3 tezamen). Hiermee wordt bewerkstelligd dat de bron en de samenstelling van het inkomen niet langer relevant is voor de hoogte van de algemene heffingskorting.

Geleidelijke afschaffing inkomensafhankelijke combinatiekorting

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is een heffingskorting voor, kort gezegd, alleenstaande ouders of minstverdienende partners die arbeid en zorg voor jonge kinderen combineren. In overeenstemming met het coalitieakkoord stelt het kabinet voor de regeling af te schaffen. De belangrijkste overweging is dat het doel van de regeling – bevordering van de arbeidsparticipatie van ouders – al wordt bereikt door de inkomensafhankelijke vergoeding van kinderopvang, die het kabinet wil realiseren. Verder past afschaffing van de heffingskorting in het streven om het belastingstelsel te vereenvoudigen, nemen de verschillen in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners erdoor af en kan de (uiteindelijke) budgettaire opbrengst van bijna € 1,8 miljard per jaar worden ingezet voor andere koopkrachtmaatregelen.

De regeling wordt niet in één keer afgeschaft, maar er geldt een ruimhartig overgangsregime. Voor ouders met kinderen die geboren zijn of worden vóór 1 januari 2025 blijft de oude regeling gelden. Voor ouders met kinderen die daarna worden geboren, geldt de heffingskorting niet meer. Omdat beide groepen ouders straks recht krijgen op de verhoogde kinderopvangtoeslag, ontstaat een financieel verschil naar gelang de geboortedatum van het kind dat kan oplopen tot wel € 30.000. Het trekken van deze harde grens is volgens het kabinet echter onvermijdelijk om de regeling te kunnen afschaffen zonder negatieve inkomenseffecten. Vanaf 2037 zijn er geen ouders meer die aanspraak kunnen maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Geleidelijke afschaffing oudedagsreserve

De oudedagsreserve is een faciliteit voor de IB-ondernemer waarbij jaarlijks een deel van de winst mag worden gereserveerd voor een toekomstige oudedagsvoorziening. Hoewel dat deel van de winst niet wordt belast, hoeft het gereserveerde bedrag niet te worden afgezonderd en kan het nog steeds worden gebruikt voor investeringen of consumptie. In ongeveer de helft van de gevallen wordt de oudedagsreserve uiteindelijk niet aangewend voor een oudedagsvoorziening, waardoor tijdens de opbouwjaren van de reserve de ondernemer belastinguitstel heeft genoten. Het kabinet vindt dat effect strijdig met de oorspronkelijke bedoeling van de regeling. Bovendien wil men stimuleren dat reële oudedagsvoorzieningen extern worden ondergebracht. Daartoe worden de mogelijkheden om als ondernemer te sparen voor de oude dag vergroot. Voor een eind 2022 reeds opgebouwde oudedagsreserve blijven de bestaande regels gelden, maar verdere opbouw is niet langer mogelijk.

Verlaging zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek wordt versneld afgebouwd en verder verlaagd ten opzichte van eerdere voorstellen. De afbouw houdt een verlaging in van € 5.030 in 2023 naar € 900 in 2027. Het doel van de maatregel is om het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen. Een volgend jaar geplande evaluatie kan reden geven om ook de startersaftrek, de verhoogde zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers, bij te stellen.

Doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon vervalt

Belastingplichtigen die werkzaamheden verrichten voor een vennootschap waarin zij of hun fiscale partner een aanmerkelijk belang houden (“DGA’s”), moeten een gebruikelijk loon in aanmerking nemen. Dat dient nu als uitgangspunt ten minste 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking te bedragen (doelmatigheidsmarge van 25%). Het kabinet stelt in een nota van wijziging op het Belastingplan 2023 voor om dit percentage te stellen op 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Hiermee wordt de doelmatigheidsmarge afgeschaft.

Gebruikelijk loon DGA’s van innovatieve startups

Voorgesteld wordt om de versoepeling voor DGA’s van innovatieve startups, dat zijn werkgevers met een S&O verklaring te laten vervallen. Op grond van deze versoepeling hoefde het gebruikelijk loon van deze DGA’s niet hoger te worden gesteld dan het wettelijke minimum loon. Op grond van overgangsrecht blijft de versoepeling nog wel gelden voor DGA’s die hier vóór 1 januari 2023 al gebruik van maken.

Aanscherping 30%-regeling

Werknemers die in het buitenland worden geworven om in dienstbetrekking te werken voor een inhoudingsplichtige in Nederland kunnen onder voorwaarden gebruik maken van de zogenoemde 30%-regeling, waarbij een deel van het overeengekomen loon gedurende maximaal vijf jaar als onbelaste vergoeding voor extraterritoriale kosten wordt beschouwd. Het loon waarover de 30%-regeling kan worden toegepast is nu ongemaximeerd. Voorgesteld wordt om per 1 januari 2024 de grondslag voor de 30%-regeling te maximeren op de WNT-norm (2022: €216.000). De forfaitaire vrije vergoeding wordt daarmee gemaximeerd op € 64.800. Dit maximumbedrag geldt voor alle dienstbetrekkingen van de werknemer bij met elkaar verbonden vennootschappen. Naast deze forfaitaire vrije vergoeding kunnen de kosten voor een internationale school (primair en middelbaar onderwijs) onbelast worden vergoed aan de werknemer.

Afgezien van de forfaitaire vrije vergoeding kan de inhoudingsplichtige ook daadwerkelijk gemaakte extraterritoriale kosten belastingvrij vergoeden. Voorgesteld wordt dat de inhoudingsplichtige met ingang van 2023 een keuze moet maken tussen het vergoeden van de daadwerkelijk gemaakte extra territoriale kosten enerzijds en het geven van een forfaitaire vrije vergoeding anderzijds. Deze keuze moet worden gemaakt in het eerste loontijdvak van het kalenderjaar en de keuze blijft gelden voor het hele kalenderjaar, zolang de werknemer aan de voorwaarden voor de 30%-regeling blijft voldoen. Bij een nieuw verzoek om toepassing van de 30%-regeling, dient deze keuze te worden gemaakt uiterlijk in de vijfde maand na de start van de tewerkstelling.

Voor de werknemer op wie in het laatste loontijdvak van 2022 de 30%-regeling van toepassing is, geldt de maximering van de grondslag van de 30%-regeling niet tot 31 december 2025, zolang de werknemer in dienst blijft bij dezelfde inhoudingsplichtige.

Verhoging onbelaste reiskostenvergoeding

De maximale onbelaste reiskostenvergoeding voor gereden zakelijke kilometers (woon-werkverkeer en zakelijke reizen) wordt met ingang van 1 januari 2023 verhoogd van € 0,19 per km naar € 0,21 per km. Vervolgens vindt per 1 januari 2024 een verdere verhoging plaats tot € 0,22 per km.

Verhoging van de vrije ruimte in de werkkostenregeling

Door middel van de vrije ruimte van de WKR kunnen werkgevers vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen onbelast aan hun werknemers geven voor zover geen gerichte vrijstelling van toepassing is. De vrije ruimte bedraagt per werkgever 1,7% van de fiscale loonsom van alle werknemers gezamenlijk, voor zover die loonsom niet hoger is dan € 400.000 plus 1,18% van het restant van die loonsom. Bij nota van wijziging is voorgesteld om de vrije ruimte over de loonsom tot € 400.000 structureel te verhogen naar 1,92%, als onderdeel van een lastenverlaging voor het MKB. Voor het jaar 2023 geldt zelfs een vrije ruimte van 3% tot een loonsom van € 400.000. Dit mede gezien de fors toegenomen inflatie.

Oudedagsverplichting aanwenden ter verkrijging van een lijfrente

Sinds 1 juli 2017 is het, als gevolg van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer, niet langer mogelijk om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Tot en met 31 december 2019 kon het volledige in eigen beheer verzekerde deel van een opgebouwde pensioenaanspraak worden omgezet in een aanspraak vanuit een oudedagsverplichting (ODV). Zo'n ODV moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd ingaan en worden uitgekeerd in een periode van twintig jaar. De belastingplichtige kan er ook voor kiezen om onder voorwaarden de ODV af te wikkelen door het gereserveerde bedrag aan te wenden voor de verkrijging van een lijfrente. Dit moet gebeuren uiterlijk voor de ingang van de ODV-termijnen.

In het Verzamelbesluit pensioenen is geregeld dat de ODV onder voorwaarden ook in de uitkeringsfase nog mag worden aangewend voor het verkrijgen van een lijfrenteproduct, mits dit gebeurt voor het einde van het kalenderjaar waarin de leeftijd die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt. In de praktijk blijkt die versoepeling echter niet altijd voldoende soelaas te bieden voor dga's die hun bv willen liquideren en daarom de ODV willen afwikkelen. In reactie op die signalen wordt voorgesteld dat een ODV ook kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrenteproduct ná het kalenderjaar waarin de leeftijd wordt bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Hiermee brengt het kabinet een verdere versoepeling aan ten opzichte van het eerdere besluit. Het voorstel heeft terugwerkende kracht tot en met 1 april 2017.

Twee schijven box 2

Vanwege het rechtsherstel dat moet worden geboden aan belastingplichtigen in box 3, vindt in box 2 een tariefsverhoging plaats. Met ingang van 2024 worden twee tariefschijven geïntroduceerd. Over de eerste € 67.000 aan inkomen uit aanmerkelijk belang geldt een tarief van 24,5%. Voor partners geldt dit tarief tot een inkomen van € 134.000. Daarboven bedraagt het tarief 31%. De introductie van twee schijven dient als prikkel voor de belastingplichtige om jaarlijks de winst van de vennootschap of een deel daarvan uit te laten keren, om op die manier zo veel mogelijk gebruik te maken van het lage tarief. Het stimuleren van dividenduitkeringen moet langdurig uitstel in box 2 tegengaan. Ook deze maatregel past in het streven om ondernemers, werknemers en dga's fiscaal meer gelijk te behandelen.

Rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 geoordeeld dat de wijze waarop de box 3-heffing sinds 2017 is vormgegeven in strijd is met zowel het discriminatieverbod (art. 14 EVRM) als het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 EP EVRM). Eind april 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën duidelijkheid verschaft over de wijze waarop rechtsherstel zou worden geboden. In het wetsvoorstel Wet Rechtsherstel Box 3 worden deze uitgangspunten wettelijk verankerd.

Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat compensatie wordt geboden aan belastingplichtigen die hebben deelgenomen aan de massaalbezwaarprocedures, en aan belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting over (een van) de jaren 2017, 2018, 2019 of 2020 op 24 december 2021 nog niet was vastgesteld, of nog niet onherroepelijk vaststond. Belastingplichtigen hoeven daar niets voor te doen. Rechtsherstel vindt automatisch plaats door de belastingdienst. Het kabinet heeft ervan afgezien om ook de niet-bezwaarmakers van wie de aanslagen over voornoemde jaren al onherroepelijk vaststonden te compenseren.

In de Wet Rechtsherstel Box 3 is een nieuwe berekeningswijze voor het voordeel uit sparen en beleggen opgenomen. Deze is gebaseerd op de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij het vermogen van de belastingplichtige in drie categorieën wordt onderverdeeld, te weten: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Per vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair percentage waarmee het vermogen binnen die categorie wordt vermenigvuldigd. Daaruit volgt een gemiddeld effectief rendementspercentage, dat wordt toegepast op de grondslag sparen en beleggen (het saldo van bezittingen en schulden verminderd met het heffingsvrije vermogen).

Het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden wordt gebaseerd op het gemiddelde maandelijkse rentepercentage op deposito’s. Voor wat betreft het rendementspercentage van schulden wordt aangesloten bij de gemiddelde maandelijkse rente over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens. Doordat beide rendementspercentages na afloop van het belastingjaar worden vastgesteld, wordt zo goed mogelijk aangesloten bij het werkelijk in een kalenderjaar behaalde rendement. Het rendementspercentage voor de overige bezittingen sluit aan bij het huidig percentage voor rendementsklasse II dat is gebaseerd op het langetermijnrendement van onroerende zaken, aandelen en obligaties.
 

Tabel 1 - Rendementspercentages voor de nieuwe berekening voor de 3 categoriën
 
  Banktegoeden (I) Overige bezettingen (II) Schulden (III)
2017 0,25% 5,39% 3,43%
2018 0,12% 5,38% 3,20%
2019 0,08% 5,59% 3,00%
2020 0,04% 5,28% 2,74%
2021 0,01% 5,69% 2,46%
2022 0,01% 5,53% 2,46%

 

Het wetsvoorstel ook in een regeling voor partners die de onderlinge verdeling van hun gezamenlijke inkomensbestanddelen willen wijzigen naar aanleiding van de herrekening van het box 3-inkomen, alsmede in een regeling ter voorkoming van dubbele belasting.

De hierboven genoemde systematiek, gebaseerd op de werkelijke samenstelling van het vermogen van belastingplichtigen en een herziene forfaitaire rendementstabel, zal ook worden gebruikt voor het vaststellen van het box 3-inkomen in de aanslagen inkomstenbelasting 2021 en 2022. Althans indien dit tot een lagere aanslag leidt dan voortvloeit uit de huidige box 3-wetgeving. Voor de jaren 2023 tot en met 2025 wordt overbruggingswetgeving ingevoerd, die dezelfde uitgangspunten hanteert. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is eveneens op Prinsjesdag ingediend.

Een opvallend punt daarin is de vrijstelling voor groene beleggingen. Die vrijstelling volgt een iets andere systematiek dan de andere beleggingen in het wetsvoorstel. Groene beleggingen worden onderverdeeld in groene banktegoeden en groene overige bezittingen. Indien een belastingplichtige in beide categorieën belegt, wordt de vrijstelling eerst toegepast op het deel dat als overige bezittingen kwalificeert en vervolgens toegerekend aan het deel dat als banktegoed wordt gehouden. De groene beleggingen verminderen zodanig eerst de grondslag met het hoogste forfaitaire rendementspercentage.

Voor wat betreft de waarde van de verschillende vermogenscategorieën wordt aangesloten bij de waarde op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar (de peildatum). Om te voorkomen dat belastingplichtigen vermogensbestanddelen tijdelijk omzetten met als doel het verkrijgen van een lager rendementspercentage, stelt het kabinet een arbitrageperiode van drie maanden voor. Deze regeling zorgt ervoor dat transacties die gedaan worden drie maanden vóór en drie maanden na de peildatum van 1 januari niet tot een lagere belastingheffing leiden.

 

Gerelateerd artikel:

Verhoging tarief box 3

In aanvulling op de afzonderlijke wetsvoorstellen over de reparatie van box 3 naar aanleiding van het Kerstarrest, stelt het kabinet voor om het tarief van box 3 te verhogen met 1%-punt per jaar. Daarmee zou het tarief volgend jaar op 32% uitkomen, in 2024 op 33% en in 2025 op 34%. In 2026 zou dan een nieuw, niet-forfaitair systeem van heffing over vermogensinkomsten in werking moeten treden. Naast de verhoging van het tarief wordt het heffingsvrije vermogen verhoogd van € 50.650 naar € 57.000 (voor partners naar € 114.000). Het doel van deze maatregel is om vermogen zwaarder te belasten en daarmee de verlaging van de belastingdruk in box 1 te kunnen financieren. De maatregel moet vooral belastingplichtigen zwaarder belasten die veel beleggingen konden hebben en daardoor het meeste profijt hebben gehad van het oude systeem.

Actualiseren leegwaarderatio

Bij de bepaling van de waarde van woningen in box 3 en in de schenk- en erfbelasting wordt rekening gehouden met de verhuurde staat van de woning. Als de huurder van de woning huurbescherming geniet, wordt op de WOZ-waarde een percentage in mindering gebracht dat afhangt van de verhouding tussen de huurprijs en de WOZ-waarde. Naar aanleiding van onderzoek wordt voorgesteld om de gehanteerde percentages te actualiseren, zodat de waarde-afslag kleiner en beter wordt aangesloten bij de waarde in het economisch verkeer. Het gevolg is dat bij een jaarlijkse huurprijs van meer dan 5% van de WOZ-waarde niet langer rekening wordt gehouden met een waarde-afslag. Voor situaties van een tijdelijk huurcontract wordt de leegwaarderatio afgeschaft, omdat het waardedrukkende effect van de huur in zo'n geval al gauw komt te vervallen. Ook bij verhuur aan gelieerde personen mag niet langer rekening worden gehouden met een waardedrukkend effect. Het eerdere plan om de leegwaarderatio helemaal af te schaffen gaat niet door, omdat het kabinet vreest dat dit strijdigheid oplevert met het gelijkheidsbeginsel.

Begrenzing periodieke giftenaftrek

De aftrek van periodieke giften wordt beperkt tot een bedrag van € 250.000 per kalenderjaar. Indien de belastingplichtige gedurende het hele kalenderjaar een partner heeft gehad, worden de periodieke giften samengevoegd, zodat slechts eenmaal gebruik kan worden gemaakt van het hierboven genoemde grensbedrag. De wetswijziging zal ingaan per 1 januari 2023. Maar voor verplichtingen tot het doen van periodieke giften die reeds waren aangegaan op 4 oktober 2022, om 16:00u (tijdstip publicatie nota van wijziging) geldt een overgangsregime. Die giften zijn nog volledig aftrekbaar tot en met 31 december 2026.

Aanpassing culturele multiplier voor partners

Bij het doen van een gift aan een culturele ANBI mag het aftrekbare bedrag worden verhoogd met 25%, tot ten hoogste € 1.250. De Belastingdienst heeft recentelijk ontdekt dat zij bij partners ten onrechte het maximum van € 1.250 hebben gehanteerd, terwijl het plafond in die situatie € 2.500 zou moeten zijn. Vanwege de enorme kosten en de tijd die gemoeid is om de systemen van de Belastingdienst op dit punt aan te pakken, wordt voorgesteld ook voor partners wettelijk vast te leggen dat de multiplier gemaximeerd is op € 1.250. Voor de zeer kleine groep partners bij wie de afgelopen jaren ten onrechte een te lage aftrek in aanmerking is genomen, wordt apart een oplossing bedacht.

Afschaffing middelingsregeling

De middelingsregeling wordt afgeschaft. De middelingsregeling geeft een tegemoetkoming voor belastingplichtigen die over een periode van drie jaar sterk wisselende inkomens hebben gehad. Daardoor kan het gebeuren dat zij door de progressie in box 1 meer belasting betalen dan wanneer het inkomen gelijkelijk over de jaren was verdeeld. Uit een evaluatie blijkt dat de regeling nauwelijks worden gebruikt door degenen die daar recht op hebben. Bovendien is de regeling niet evenwichtig omdat wel rekening wordt gehouden met wisselende tarieven, maar niet met de inkomensafhankelijke afbouw van heffingskortingen. Mede gelet op de kosten die met de uitvoering van de regeling gemoeid zijn, en het streven van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen, is besloten tot afschaffing. De periode 2022 tot en met 2024 is het laatste tijdvak waarover nog kan worden gemiddeld.

Did you find this useful?